Publicaties

BING onderzoek


Onderzoek Integriteit                    BING

Gemeente Losser

 

Datum

18 mei 2010

 

Aan

De heer drs. J.D. Westendorp, burgemeester Losser

 

Van

P. Werkman, directeur

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 2

 

 

 

 

 

Inhoudsopgave

1. BING 3

2. Aanleiding en doel van de opdracht 3

3. Door BING verrichte werkzaamheden 4

4. Leeswijzer rapportage 4

5. Toetsingskader 4

5.1 Gemeentewet 5

5.2 Gedragscode Integriteit Bestuurders 6

5.3 Wet openbaarheid van bestuur 6

6. Bevindingen 7

6.1 Zienswijze 7

6.2 Voorgeschiedenis 8

6.3 Nieuwe plannen 9

6.4 Gesprek met ambtenaar 10

6.5 Terugkoppeling gemeentesecretaris 13

6.6 Gesprek wethouder met betrokken raadslid 13

6.6.1 Gesprek 5 februari 2010 13

6.6.2 Afspraken over verslag 15

6.6.3 Inhoud gesprek 16

6.6.4 Uitwerking verslag 18

6.7 Vervolgtraject 19

6.8 Besluitvorming college 20

6.9 Herziene besluitenlijst 21

6.10 WOB-verzoek 25

6.11 Politiek klimaat 26

6.12 Reflectie betrokkenen 28

6.13 Algemene reactie in kader van wederhoor 30

7. Beoordeling 31

8. Tot slot 34

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijlage 1. Zienswijze

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 3

Gemeente Losser

Seniorenconvent van de gemeenteraad

T.a.v. de heer drs. J.D. Westendorp, burgemeester

Postbus 90

7580 AB LOSSER

Amersfoort, 18 mei 2010

Betreft: Onderzoek integriteit

Geachte heer Westendorp,

Op verzoek van het seniorenconvent van uw gemeenteraad hebben wij een onderzoek verricht voor uw

gemeente. De opdracht voor het onderzoek is vastgelegd in de opdrachtbevestiging van 25 maart 2010.

Hierbij rapporteren wij onze bevindingen.

 

 

1. BING

BING - afgeleid van Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten - biedt Nederlandse gemeenten

gespecialiseerde adviesexpertise, onderzoeksexpertise en een vraagbaakfunctie aan op het gebied van

integriteit. Het bureau richt zich daarbij exclusief op de gemeenten, wat borg staat voor specifieke

branchekennis, verdieping van ervaringen en de mogelijkheid om duurzame relaties met de doelgroep te

onderhouden. BING is een initiatief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

 

2. Aanleiding en doel van de opdracht

Op 15 december 2009 is de gemeenteraad van Losser unaniem akkoord gegaan met de verbouwing van

Erve Boerrigter in De Lutte tot Kulturhus. Voor de verbouw en uitbreiding van Erve Boerrigter was een

ontheffing van het bestemmingsplan noodzakelijk. Deze ontheffing is door het College van B&W verleend.

Tegen deze ontheffing kon tot 3 maart 2010 bezwaar worden gemaakt.

Een gemeenteraadslid van de gemeente Losser, hierna te noemen betrokken raadslid, woont in De Lutte.

De tuin van dit raadslid grenst aan het perceel van Erve Boerrigter. Het betrokken raadslid heeft het college

van B&W verzocht om overdracht van een stuk grond van de gemeente aan de Plechelmusstraat te De

Lutte; dit ter compensatie van de vermindering van het woongenot door de uitbreiding van Erve Boerrigter.

Dit verzoek is door het college van B&W afgewezen.

Doel opdracht

U heeft BING verzocht een feitenonderzoek te verrichten naar de gang van zaken rondom het (al dan niet

formele) verzoek van het betrokken raadslid en het collegebesluit dienaangaande. Daarbij wilt u specifiek

aandacht voor de volgende zaken:

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 4

De status van het verzoek van het betrokken raadslid;

De afhandeling van het verzoek en het genomen collegebesluit en de communicatie daarover

richting het betrokken raadslid;

De betrokkenheid van het betrokken raadslid in de planologische voorprocedure van de bouw- en

uitbreidingsplannen van Erve Boerrigter;

De rollen en de handelingen van diverse andere betrokkenen in deze casus.

Doelstelling van dit onderzoek is het in kaart brengen van hetgeen is voorgevallen. Daarbij wilt u antwoord

hebben op de volgende onderzoeksvragen:

- Is het verzoek van het betrokken raadslid door de gemeente Losser, i.c. het college van B&W op

adequate wijze in behandeling genomen en afgehandeld?

- Is door betrokken raadslid in onderhavige casus gehandeld in strijd met wet- en regelgeving en

relevante integriteitbepalingen (waaronder de gedragscode van de gemeente Losser)?

 

3. Door BING verrichte werkzaamheden

Wij hebben de volgende werkzaamheden verricht:

Kennisname en analyse van relevante documenten;

Kennisname en analyse van de relevante procedures en regelgeving;

Interviewen van betrokken raadslid

Interviewen van betrokken ambtenaren;

Interviewen van betrokken bestuurders;

Interviewen van andere betrokkenen;

Analyse van de bevindingen;

Het voorleggen van voor hen relevante bevindingen aan betrokkenen (wederhoor).

Van ieder interview is een zakelijk, puntsgewijs, verslag opgesteld dat ter verificatie is voorgelegd aan de

geïnterviewde. Aan de geïnterviewden is bij aanvang van het interview uitgelegd dat integrale

gespreksverslagen geen onderdeel uitmaken van de rapportage, maar wel als bron voor de rapportage

kunnen dienen. De in deze rapportage opgenomen citaten betreffen citaten uit voorgelegde

gespreksverslagen.

De bevindingen zijn op 10 mei 2010 in concept aan het betrokken raadslid en aan het college voorgelegd.

Hun reacties zijn, voor zover relevant voor de bevindingen en de conclusie, opgenomen in de rapportage.

 

4. Leeswijzer

In hoofdstuk 5 wordt het kader geschetst waartegen het handelen van betrokkenen in onderhavige casus

moet worden afgezet. In hoofdstuk 6 worden de bevindingen van het onderzoek gepresenteerd. Dit

hoofdstuk wordt gevolgd door een beoordeling van de bevindingen c.q. een beantwoording van de

onderzoeksvragen (hoofdstuk 7).

 

5. Toetsingskader

Het toetsingskader in onderhavige casus wordt gevormd door de Gemeentewet en de Gedragscode

Integriteit Bestuurders. Daarnaast speelt in deze casus ook de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) een

rol. Deze zal in paragraaf 5.3 worden besproken.

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 5

5.1 Gemeentewet

In artikel 15, eerste lid, Gemeentewet wordt een aantal handelingen omschreven dat door een raadslid niet

mag worden verricht, de zogenaamde verboden handelingen. Het artikel heeft als doel

belangenvermenging te voorkomen en zuiverheid te scheppen in de verhouding tussen een raadslid en zijn

gemeente.

De beperkingen van de handelingsvrijheid van raadsleden liggen voornamelijk in de economische sfeer.

Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de handelingen die het raadslid op eigen naam verricht en

de handelingen die het raadslid als vertegenwoordiger of adviseur of gemachtigde van een derde verricht.

Artikel 15 Gemeentewet

1. Een lid van de raad mag niet:

a. als advocaat, procureur of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de

gemeente of het gemeentebestuur dan wel ten behoeve van de wederpartij van de

gemeente of het gemeentebestuur;

b. als gemachtigde in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de wederpartij van de

gemeente of het gemeentebestuur;

c. als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het met de

gemeente aangaan van:

1e. overeenkomsten als bedoeld in onderdeel d;

2e. overeenkomsten tot het leveren van onroerende zaken aan de gemeente;

d. rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan betreffende:

1e. het aannemen van werk ten behoeve van de gemeente;

2e. het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve

van de gemeente;

3e. het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan de gemeente;

4e. het verhuren van roerende zaken aan de gemeente;

5e. het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van de gemeente;

6e. het van de gemeente onderhands verwerven van onroerende zaken of beperkte

rechten waaraan deze zijn onderworpen;

7e. het onderhands huren of pachten van de gemeente.

2. Van het eerste lid, aanhef en onder d, kunnen gedeputeerde staten ontheffing

verlenen.

Uit dit artikel volgt dat een lid van de raad niet een overeenkomst mag aangaan met betrekking tot het

onderhands verwerven van onroerende zaken van de gemeente. Dit is alleen mogelijk indien gedeputeerde

staten daarvoor ontheffing verlenen.

Naast bovengenoemd artikel kan ook nog artikel 28 van de Gemeentewet worden genoemd. Dit artikel

handelt over deelname vaan raadsleden aan besluitvorming over aangelegenheden met een persoonlijk

belang. Daarnaast kent ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikel 2:4, een bepaling die er op toe

ziet dat een raadslid niet meebeslist over een aangelegenheid waar deze een persoonlijk belang bij heeft.

Artikel 28, eerste lid, Gemeentewet

Een lid van de raad neemt niet deel aan de stemming over:

a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als

vertegenwoordiger is betrokken;

b. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of

tot welks bestuur hij behoort.

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 6

Artikel 2:4 Algemene wet bestuursrecht

1. Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.

2. Het bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor

werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming

beïnvloeden.

5.2 Gedragscode Integriteit Bestuurders

De gedragscode Integriteit Bestuurders van de gemeente Losser is vastgesteld in de

gemeenteraadsvergadering van 25 maart 2004. De gedragscode bestaat uit twee onderdelen. In het eerste

deel worden de kernbegrippen van integriteit beschreven die algemene uitgangspunten vormen voor de

gedragscode. Het tweede deel van de code bevat de feitelijke gedragsregels, waarbij een aantal thema’s

worden onderscheiden.

In de inleiding van de gedragscode staat dat het doel van de gedragscode is om bestuurder een houvast te

bieden bij het bepalen van normen omtrent de integriteit van het bestuur. ‘De code kan, blijkens de tekst

van de inleiding, discussie stimuleren om lokaal tot regels te komen, waarbij rekening wordt gehouden met

specifieke omstandigheden. Daarbij wordt aangegeven dat de code niet per definitie regels geeft die

rechtskracht hebben,

In de gedragscode worden de volgende kernbegrippen van integriteit onderscheiden:

1. Dienstbaarheid

Het handelen van een bestuurder is altijd en volledig gericht op het belang van de gemeente en op de

organisaties en burgers die daar onderdeel van uit maken.

2. Functionaliteit

Het handelen van een bestuurder heeft een herkenbaar verband met de functie die hij vervult in het

bestuur.

3. Onafhankelijkheid

Het handelen van een bestuurder wordt gekenmerkt door onpartijdigheid, dat wil zeggen dat geen

vermenging optreedt met oneigenlijke belangen en dat ook iedere schijn van een dergelijke vermenging

wordt vermeden.

4. Openheid

Het handelen van een bestuurder is transparant, opdat optimale verantwoording mogelijk is en de

controlerende organen volledig inzicht hebben in het handelen van de bestuurder en zijn beweegredenen

daarbij.

5. Betrouwbaarheid

Op een bestuurder moet men kunnen rekenen. Die houdt zich aan zijn afspraken. Kennis en informatie

waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikt, wendt hij aan voor het doel waarvoor die zijn gegeven.

6. Zorgvuldigheid

Het handelen van een bestuurder is zodanig dat alle organisaties en burgers op gelijke wijze en met

respect worden bejegend en dat belangen van partijen op correcte wijze worden afgewogen.

5.3 Wet openbaarheid van bestuur

Een aantal artikelen uit de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) is voor deze casus van belang.

In artikel 6 worden de termijnen genoemd waarbinnen een besluit moet worden genomen en waarbinnen

informatie moet worden verstrekt.

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 7

In artikel 10 worden de absolute en relatieve uitzonderingsgronden genoemd op basis waarvan

informatieverstrekking achterwege kan blijven. In lid 2 worden de relatieve uitzonderingsgronden genoemd:

Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang

daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in

artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken

natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

3. Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing voor zover de betrokken persoon heeft

ingestemd met openbaarmaking.’

De weigeringsgronden van artikel 10 lid 2 zijn relatief; alvorens te beschikken op een WOB-aanvraag, zal

een bestuursorgaan zich de vraag moeten stellen of in dit geval wellicht sprake is van één van de gronden

uit artikel 10 lid 2 WOB. Indien hiervan naar het oordeel van het bestuursorgaan sprake is, zal het belang

van openbaarmaking (kenbaar) moeten worden afgewogen tegen één of meer van de in lid 2 genoemde

weigeringsgronden. Een beschikking op grond van de WOB zal te allen tijde moeten worden gemotiveerd.

Het indienen van een WOB-verzoek is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een WOBverzoek

heeft namelijk de status van aanvraag in de zin van artikel 1:3 lid 3 Awb. Het op deze aanvraag te

nemen besluit is een beschikking in de zin van artikel 1:3 lid 2 Awb.

In de Awb staan procedurevoorschriften (hoofdstukken 3 en 4 Awb) met betrekking tot een aanvraag die op

grond van de WOB wordt ingediend. Deze voorschriften betreffen onder meer de volgende

aandachtspunten: zorgvuldige voorbereiding, afweging van belangen, tijdigheid (d.w.z. beslissen binnen de

wettelijke beslistermijn), motivering.

 

6. Bevindingen

6.1 Zienswijze

Op 3 maart 2010 meldt het betrokken raadslid zich bij de balie op het gemeentehuis. Het betrokken raadslid

komt een zienswijze indienen betreffende het vergroten van het bijeenkomstgebouw Erve Boerrigter op het

preceel Plechelmusstraat 12/14 De Lutte. De zienswijze is als bijlage bij het rapport gevoegd. In de

zienswijze, die – uitsluitend - is ondertekend door de echtgenote van het betrokken raadslid, stelt deze dat

zij in principe staat achter het uitbreiden van de mogelijkheden van het bijeenkomstgebouw. Zij kan en wil

echter haar eigen belangen niet opzij zetten, omdat het plan – zoals dat nu wordt beoogd -, voor haar

onevenredig nadelig is. Verder schrijft zij onder meer:

‘Ik wil u voorstellen om het muziekgebouw op de plek te bouwen waar het in 1e instantie gepland was,

ongeveer 115 meter verwijderd van mijn woning. Voor deze locatie bestaat al een goedgekeurd

bestemmingplan. Een andere oplossing kan gevonden worden in de verkoop van de bos- groenstrook

tussen het beoogde gebouw en onze tuin. Wanneer ik deze strook grond kan overnemen, lost dit de

toename van geluidsoverlast niet op, maar kan het gevoel van privacy en gedeeltelijk behoud van uitzicht

wel enigszins goedmaken.’

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 8

De vrouw van het betrokken raadslid beëindigt de zienswijze als volgt:

‘Ik verzoek u dan ook om af te zien van deze vergroting van het bijeenkomstgebouw Erve Boerrigter omdat

het mijn belangen onevenredig benadeelt.’

Voorafgaand aan het moment van het indienen van de zienswijze is er een en ander voorgevallen tussen

het betrokken raadslid en de gemeente Losser met betrekking tot het plan Erve Boerrigter.

6.2 Voorgeschiedenis

Erve Boerrigter in De Lutte is een sociaal cultureel centrum waar verscheidene verenigingen hun

activiteiten organiseren. Sinds 2002 loopt er vanuit de plaatselijke harmonievereniging een traject voor een

nieuw te bouwen gebouw achter op het (parkeer) terrein van Erve Boerrigter. De investeringsplannen, de

subsidieaanvraag en de bouwvergunning voor dit plan zijn in 2006 gereed. In datzelfde jaar ontstaan

volgens betrokkenen ook plannen voor het realiseren van een multifunctioneel Kulturhus op Erve

Boerrigter. De harmonieverenging besluit vervolgens om aan te sluiten bij deze plannen voor het Kulturhus.

Dit zou namelijk voordelen kunnen opleveren met betrekking tot de exploitatie en het beheer van het

gebouw. Erve Boerrigter zou, naast een renovatie van het bestaande gedeelte, bovendien op deze manier

een nieuwe aanbouw kunnen verwezenlijken.

Voor het verwezenlijken van de nieuwe plannen wordt de stichting Kulturhus opgericht. Het plan voorziet in

eerste instantie in een aanbouw, parallel aan het huidige pand. De secretaris van de stichting, vanwege zijn

bouwkundige achtergrond betrokken bij de stichting, legt deze plannen voor aan de twee direct omwonende

families, waaronder de familie van het betrokken raadslid. De andere buurtgenoten worden tijdens een

gezamenlijke informatiebijeenkomst geïnformeerd.

De secretaris van de stichting herinnert zich van het gesprek met de familie van het betrokken raadslid dat

hij in goed overleg met hen heeft gesproken. De familie van het betrokken raadslid stond volgens de

secretaris positief ten opzichte van de plannen, maar gaf wel aan dat het nieuw aan te bouwen gedeelte

wel erg dicht op hun gevel zou komen te staan. Het betrokken raadslid zegt zelf over dit gesprek:

“De heer [secretaris Stichting] kwam het plan voor de bouw van het Kulturhus laten zien. Wij waren

daarover in principe enthousiast. Toen we de eerste tekeningen zagen, werden we echter minder

enthousiast. We stonden niet te juichen. De nieuwbouw stond erg dicht tegen onze gevel en we waren

bang voor geluidsoverlast en raakten het uitzicht kwijt aan die zijde. We hebben aan de heer [secretaris

stichting] aangegeven dat we er even rustig over wilden nadenken.”

De familie van het betrokken raadslid belt de secretaris van de stichting korte tijd later terug en uit haar

zorgen over de plannen. Volgens het betrokken raadslid was er op dat moment geen sprake van een

briefwisseling of van een formeel verzoek:

“Er was nog geen sprake van een formele procedure. We hebben destijds nooit contact gehad met de

gemeente over de aanbouw ten behoeve van het Kulturhus.”

De stichting heeft begrip voor het standpunt van de familie en besluit vervolgens - in overleg met de

architect - om een tweede plan te maken. In dit plan komt het nieuw te bouwen gedeelte in een scherpere

hoek op het bestaande pand te staan. Op deze manier komt de nieuwbouw niet zo dicht bij de gevel van

het huis van betrokken raadslid. De secretaris van de stichting zegt hierover:

“Alles is in goed overleg gegaan. Dit gaf geen enkel probleem. De heer [betrokken raadslid] was tevreden

en zou geen bezwaar maken tegen de plannen.”

De familie van betrokken raadslid bevestigt aan BING dat zij in grote lijnen tevreden was over deze

aanpassing. Tevens geeft ze aan dat ze altijd groot voorstander is geweest van de ‘Kulturhus-gedachte’.

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 9

De secretaris van de stichting laat in die tijd ‘uit voorzorg’ een planschaderapport opmaken. Uit dit rapport volgt

dat de familie van het raadslid een planschade van circa € 12.000 zou lijden door de plannen. De secretaris

informeert de familie en andere betrokkenen niet over het bestaan van dit rapport en over de hoogte van de

daarin genoemde planschade. Wel informeert hij de familie van betrokken raadslid dat zij mogelijk aanspraak

kan maken op planschade. Volgens de secretaris van de stichting gaf de familie van betrokken raadslid op dat

moment aan dat zij geen baat heeft bij geld en dat zij hierin niet geïnteresseerd is.

In september 2007 blokkeert de gemeenteraad de plannen voor het Kulturhus. Het plan wordt op één stem

na niet aangenomen. De secretaris van het Kulturhus zegt dat de gemeente te zware eisen stelde aan het

plan. De stichting zou zowel de grond als het gebouw moeten aankopen. Ook zou de stichting het

voorterrein moeten opknappen. Dit bleek voor de stichting geen haalbare kaart. De plannen betreffende het

Kulturhus liggen daarom volgens de secretaris bijna anderhalf jaar stil.

Het betrokken raadslid verklaart als volgt over het blokkeren door de gemeenteraad:

“Toenmalig PvdA - wethouder [naam wethouder] was tegen. Hij heeft mij ‘s middags voor die bewuste

raadsvergadering gezegd dat hij die avond zijn portefeuille zou inleveren als dit plan het zou halen. Dit heeft

bij mij als raadslid, maar waarschijnlijk ook bij andere raadsleden, veel druk gelegd. De reden is volgens mij

dat er eigenlijk helemaal geen geld was voor het Kulturhus. De gemeente Losser is praktisch bankroet.

Door alle nieuwe eisen van de gemeente, werd het plan onbetaalbaar voor de stichting. De gemeente wilde

plotseling dat de stichting de grond en het pand zou aankopen. Het college deed lang voorkomen dat het

goed zou komen met het Kulturhus in De Lutte, maar gooide op het laatst roet in het eten. Dit heeft veel

onrust gegeven bij de bevolking.”

6.3 Nieuwe plannen

Begin 2009 worden de plannen voor het realiseren van het Kulturhus weer nieuw leven in geblazen.

Volgens een geïnterviewde betrokkene wordt er een werkgroep (de werkgroep Multifunctionele

Accommodatie Erve Boerrigter) opgericht, samengesteld uit vertegenwoordigers van verschillende

verenigingen. Dit leidt er uiteindelijk toe dat er een nieuw plan wordt opgesteld.

Het betrokken raadslid pleit in december 2009 in het presidium voor het agenderen van het onderwerp op

de agenda van de gemeenteraad. Volgens een wethouder wordt op initiatief van het college van B&W de

plannen voor het Kulturhus aan de raad voorgelegd in de raadsvergadering van 15 december. De

noodzaak om een besluit te nemen, vanwege de tijdsdruk die er op de realisering van de bouwplannen

stond, wordt volgens de wethouder gedeeld door de gehele raad. Op 15 december 2009 wordt het plan

besproken in de gemeenteraad en unaniem aangenomen. Ook het betrokken raadslid stemt voor het plan.

Voor de verbouw en uitbreiding van Erve Boerrigter is een ontheffing van het bestemmingsplan

noodzakelijk. Deze ontheffing wordt door het College van B&W verleend. Tegen deze ontheffing kan tot 3

maart 2010 bezwaar worden gemaakt.

Naar aanleiding van de besluitvorming in december in de gemeenteraad, bekijkt het betrokken raadslid met

zijn familie thuis nogmaals de plannen en neemt hij contact op met de architect en de secretaris van de

werkgroep. Het betrokken raadslid verklaart hierover tegen BING dat hij meer informatie wilde over de

afmetingen en functies van de ramen en deuren. Dit in verband met eventuele geluidshinder op zijn

woonerf. Het betrokken raadslid zegt hierover:

“Ik heb informatie gevraagd over de afmetingen en afsluitbaarheid van de ramen en deuren van de

nieuwbouw. Dit in verband met de eventuele geluidshinder. Tevens heb ik hem aangegeven dat ik in

verband met privacy wel een stuk groenstrook zou willen aankopen.”

Het betrokken raadslid verklaart BING dat hij het nodige moet inleveren door de nieuwbouw van het

Kulturhus. Zo levert hij uitzicht in en krijgt hij geluidsoverlast in verband met de repetitie van de harmonie.

Hierdoor is er volgens hem sprake van waardevermindering van zijn pand en verwacht hij bovendien

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 10

overlast te krijgen van bezoekers van het Kulturhus. Het raadslid is van mening dat door het verwerven van

een stuk grond, hij zijn erf beter kan afschermen. Hij is dan namelijk zelf verantwoordelijk voor het

onderhoud en kan bezoekers van het Kulturhus op die manier wat op afstand houden.

De secretaris van de werkgroep komt op 27 januari 2010 bij de familie van het betrokken raadslid thuis.

Daarbij wordt gesproken over de afmetingen van de deuren en ramen en over welke deuren en ramen

geopend kunnen worden. Tevens komt de wens van de familie van het raadslid ter sprake om een stuk

groenstrook aan te kopen van de gemeente. Het betrokken raadslid zegt hierover:

“De heer [secretaris werkgroep] gaf aan dat dit voor de werkgroep vermoedelijk geen probleem zou zijn,

maar dat ik contact moest zoeken met de heer [ambtenaar] van de gemeente omdat de gemeente eigenaar

is van de grond.”

De secretaris van de werkgroep zegt over het telefoontje van het betrokken raadslid en het daarop

volgende bezoek:

“Hij wilde wel een stukje grond hebben. Hier had hij het al vaker over gehad. Hij sprak over de planschade

door vermindering van het uitzicht en de overlast die hij zou krijgen. Hij wilde als tegemoetkoming wel een

stukje grond. Hij had het niet over kopen. Ik ben toen bij hem thuis geweest, maar heb duidelijk

aangegeven dat ik hier als werkgroeplid niets over kon toezeggen. Ik heb hem gezegd dat hij met zijn

verzoek naar de gemeente moest gaan.”

De secretaris van de werkgroep kan zich wel voorstellen dat de familie van het betrokken raadslid een

tegemoetkoming wil, vanuit het oogpunt van eventuele planschade. Wel is hij van mening dat het verzoek

van het betrokken raadslid onevenredig is, omdat het betrokken raadslid te veel grond wil. De secretaris

van de werkgroep is van mening dat de grond meer waard is dan de berekende planschade. De secretaris

zegt dat in het huidige bestemmingsplan de grond een groenbestemming heeft of een bijzondere

doeleindenbestemming. Wanneer dit bouwgrond zou zijn geweest, zou het volgens hem wel €220 per m2

opleveren.

De secretaris van de werkgroep zegt verder over het verzoek van het betrokken raadslid:

“Dit gaat over wel 300 meter grond. Hier gaat de gemeente nooit mee akkoord, onder meer omdat de

gemeente dan geen toegang meer heeft tot de achterkant van het gebouw, wat noodzakelijk is voor het

onderhoud van het gebouw.”

(…)

Ik had het idee dat de heer [betrokken raadslid] het wel even onderling wilde regelen. Hij wilde niet naar de

gemeente. Tevens meldde hij dat als de gemeente niet aan zijn verzoek tegemoet zou komen, zijn vrouw

bezwaar zou indienen.”

6.4 Gesprek met ambtenaar

Een van de leden van de werkgroep is een ambtenaar van de gemeente Losser. De ambtenaar (hierna te

noemen betrokken ambtenaar) weet dat in 2006 het plan rond het Kulturhus is aangepast aan de wensen

van omwonenden. De betrokken ambtenaar zegt hierover:

“Ik was destijds nog niet betrokken bij het project. Ik heb niet de indruk dat er toen iets geks is gebeurd. Het

ging niet om een onterechte wens en die is gehonoreerd. Het plan is toen gestrand, omdat het te groot en

te duur bleek. We werken nu in de basis met hetzelfde plan. Ik heb gedurende het proces nooit signalen

opgevangen dat de heer [betrokken raadslid] moeite heeft met het plan. Het heeft wel consequenties voor

zijn woonsituatie.”

Tijdens een werkgroep vergadering op 7 januari 2010 hoort de betrokken ambtenaar van de secretaris over

het verzoek van het betrokken raadslid. De betrokken ambtenaar zegt hierover tegen BING:

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 11

“Op 7 januari jl. hoorde ik tijdens de werkgroepvergadering van de heer [secretaris werkgroep] dat hij van

raadslid [betrokken raadslid] de vraag had gekregen of de heer [betrokken raadslid] een stuk grond zou

kunnen verwerven. Wanneer dit niet mogelijk zou zijn, zou de heer [betrokken raadslid] misschien bezwaar

willen maken. De werkgroep was van mening dat dit een zaak van het college was en heeft hem

doorverwezen.”

Van de vergadering is een verslag gemaakt, waaruit blijkt dat er op de vergadering is gesproken over het

‘verzoek’ van het betrokken raadslid. Zo staat er in het verslag:

‘[naam secretaris werkgroep] is benaderd door een achterbuurman van Erve Boerrigter. Hij wil een stuk

grond kopen achter zijn woning kopen. Gevreesd wordt als het stuk niet in zijn bezit komt, hij bezwaar gaat

maken tegen de uitbreiding van Erve Boerrigter. Geconcludeerd wordt dat hij via de officiële weg een

schriftelijk verzoek moet indienen bij de gemeente Losser.’

Op 28 januari 2010 belt het betrokken raadslid, naar eigen zeggen, de betrokken ambtenaar van de

gemeente voor een afspraak, maar de ambtenaar blijkt niet aanwezig te zijn. Later die dag komt het

raadslid de betreffende ambtenaar ‘toevallig’ tegen op het gemeentehuis als hij daar vanwege een andere

reden aanwezig is. Het betrokken raadslid zegt hierover:

“We hebben een kamer opgezocht om met zijn tweeën te praten. Ik heb hem gemeld dat ik interesse heb in

aankoop van een strook grond en dat deze eventueel te verrekenen zou zijn met de eventuele planschade

die ik heb als gevolg van de nieuwbouw. Tevens heb ik hem op een tekening aangegeven voor welk stuk

grond ik interesse heb; een minimale en maximale variant. De maximale variant is ongeveer 300 meter. Ik

heb de heer [betrokken ambtenaar] ook heel duidelijk gezegd dat ik de zaak van het Kulturhus niet wil

frustreren. Later die middag heb ik tevens de griffier kort gesproken. Ik heb de griffier gemeld dat ik bij de

heer [betrokken ambtenaar] was geweest. Ik wilde hier niet geheimzinnig over doen.”

Dit wordt bevestigd door de griffier. Hij verklaart dat het betrokken raadslid hem kwam informeren over zijn

gesprek met de betrokken ambtenaar. Het betrokken raadslid vertelt hem dat het gesprek ging om het

verkrijgen van een stuk grond en dat hij ook nog een gesprek zou hebben met een wethouder.

In het kader van wederhoor merkt het betrokken raadslid op dat hij niet tegen de griffier heeft gezegd dat hij

een gesprek zou hebben met de wethouder. Hij verklaart dat hij heeft gezegd tegen de griffier dat de

ambtenaar een en ander zou terugkoppelen naar de wethouder.

De griffier stelt voorts dat hij het betrokken raadslid heeft gewaarschuwd dat het betrokken raadslid,

vanwege zijn raadslidmaatschap, voorzichtig moest zijn met het doen van verzoeken. Het betrokken

raadslid zou daarop hebben geantwoord dat als het te persoonlijk zou worden, hij zijn vrouw naar voren zou

schuiven.

De betrokken ambtenaar verklaart over het gesprek met het betrokken raadslid tegenover BING onder

meer:

“De heer [betrokken raadslid] vond dat hij werd benadeeld door de plannen en dat hij als alternatief voor

planschade graag een stuk grond wilde kopen. Ik vond het een zot voorstel. Ik kan me de gedachtegang

van de heer [betrokken raadslid] wel voorstellen en het gebeurt vaker dat de gemeente een stuk groen

verkoopt. Maar de wens van de heer [betrokken raadslid] was om 300 meter te kopen. Dat was naar mijn

mening veel te veel, daar zou de gemeente nooit op kunnen ingaan. Bovendien kleedde hij zijn verzoek om

drie redenen verkeerd aan. Hij wilde het gratis hebben; hij koppelde het aan een bezwaarprocedure en hij is

ook nog eens raadslid. Daarom vond ik het een zot voorstel. Hijzelf leek het helemaal niet gek te vinden wat

hij deed.”

De betrokken ambtenaar verklaart voorts tegenover BING over de precieze terminologie die door het

betrokken raadslid in het gesprek wordt gebruikt:

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 12

“De heer [betrokken raadslid] gebruikte consequent de term kopen. Hij gebruikte de term kopen en hij

gebruikte ook de woorden ’voor een symbolisch bedrag‘. Dat betekent voor mij één euro. Dus heb ik het

geïnterpreteerd als gratis.”

De betrokken ambtenaar zegt dat het betrokken raadslid ’natuurlijk’ als burger bij hem kwam:

“Maar er is niet zo’n groot verschil tussen raadslid en burger, tenminste zo voel je dat als ambtenaar.”

De betrokken ambtenaar is tevens van mening dat hij zich het verzoek van het betrokken raadslid wel voor

kan stellen, omdat de gevolgen van de plannen voor hem zo groot zijn. De betrokken ambtenaar zegt

hierover tegen BING:

“Het is ‘an sich’ niet zo vreemd. Het is ook zijn recht om bezwaar te maken.”

De betrokken ambtenaar schat dat het betrokken raadslid slechts voor geringe planschade in aanmerking

kan komen, maximaal 2 % van de WOZ-waarde van zijn woning. Een dergelijke planschade van ongeveer

€ 9.000 noemt de ambtenaar ’gering’. De waarde van de 300 meter grond die het raadslid wilde hebben,

schat de betrokken ambtenaar op ongeveer € 70 per vierkante meter, dus € 21.000 in totaal.

De betroken ambtenaar heeft van het gesprek aantekeningen gemaakt, die hij later voor zich zelf heeft

uitgewerkt tot een summier verslag. Hierin staat verwoord dat hij het betrokken raadslid heeft aangeraden

het verzoek aan het college te richten. Het raadslid zou hierop, blijkens de aantekeningen, gezegd hebben

dat zijn mondelinge verzoek ook een verzoek was en dat hij dit zou willen toelichten bij de

portefeuillehouder. De betrokken ambtenaar heeft daarop beaamd dat een mondeling verzoek ook een

verzoek is en dat het inderdaad vaker voorkomt dat er naar aanleiding van een mondeling verzoek een

besluit wordt genomen.

De betrokken ambtenaar schrijft verder in zijn aantekeningen dat hij het betrokken raadslid heeft gevraagd

of hij zich realiseert dat over zijn verzoek een besluit van het college zal moeten volgen. Het raadslid zou

hebben aangegeven dit te begrijpen en uiterlijk half februari een reactie te willen, omdat hij dan voldoende

tijd zou hebben om bezwaar te maken tegen de uitbreiding van Erve Boerrigter. Dit, indien de gemeente

niet bereid zou zijn de strook grond over te dragen.

De betrokken ambtenaar is van mening dat het betrokken raadslid zijn verzoek op een andere manier had

moeten aankleden. Hij zegt hierover tegen BING:

“Hij had het verzoek reëler kunnen maken door minder grond te vragen. Tevens had hij moeten zeggen de

grond te willen aankopen tegen de prijs die de raad heeft vastgesteld. En hij had niet met bezwaar moeten

dreigen.”

Het betrokken raadslid is ‘verrast’ dat betrokken ambtenaar niet zou hebben begrepen dat zijn verzoek

onderhandelbaar was. Hij verklaart hierover tegen BING:

“Als ik zo star ben als zij doen voorkomen, dan had ik wel gewoon een schriftelijk verzoek ingediend, daarin

valt niets meer te onderhandelen. En als de heer [betrokken ambtenaar] het zo vreemd vond, waarom zei

hij dat dan niet tijdens het gesprek. De heer [betrokken ambtenaar] heeft alleen aangegeven dat hij het met

de wethouder zou terugkoppelen.”

Een paar dagen later wordt het betrokken raadslid gebeld door de secretaresse van de wethouder:

“Haar secretaresse heeft een paar dagen later contact met mij opgenomen en heeft een afspraak gemaakt

voor een gesprek tussen wethouder [betrokken wethouder] en mijzelf.

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 13

6.5 Terugkoppeling gemeentesecretaris

De betrokken ambtenaar informeert de volgende dag, 29 januari 2010, de gemeentesecretaris over zijn

gesprek met het betrokken raadslid. De gemeentesecretaris zegt hierover het volgende:

“Hij zei dat hij was aangesproken door de heer [betrokken raadslid]. Deze had aangegeven dat hij 300

meter grond ‘om niet’ of voor een schijntje wilde hebben, anders zou hij bezwaar maken tegen het

Kulturhus. Hij wilde het verzoek niet op schrift doen, want dan lag alles zo vast. Hij zou het wel mondeling

willen toelichten.”

De gemeentesecretaris vraagt de betrokken ambtenaar of hij een concept advies wil opstellen, dat hij kan

bespreken binnen het college. Dit ‘conceptadvies’ van de ambtenaar ‘ brengt hij vervolgens in bij de

collegevergadering van 2 februari 2010. Tijdens de vergadering wordt het verzoek besproken, zonder dat

daarbij volgens de gemeentesecretaris sprake is van een formele behandeling.

Er was nog geen sprake van een formele agendering.”

Volgens de gemeentesecretaris beschouwt het college het verzoek van het betrokken raadslid als

‘uitermate vreemd’. Daarbij doelt de gemeentesecretaris – zo laat hij in het kader van wederhoor weten -

vooral op het feit dat er sprake is van een mondeling verzoek, neergelegd bij een ambtenaar en het feit dat

het betrokken raadslid geen schriftelijk verzoek wilde indienen. Het roept volgens hem vragen en argwaan

bij het college op. Volgens de gemeentesecretaris heeft de gemeente Losser de laatste jaren al een aantal

integriteitkwesties in de raad voorbij zien komen. Volgens de gemeentesecretaris is dit altijd in geslotenheid

afgehandeld. Het college acht het tegen deze achtergrond wenselijk geen situatie van

achterkamertjespolitiek te laten ontstaan en wil op 16 februari een voldragen stuk in het college. Het college

wil daarom, volgens de gemeentesecretaris, voorafgaand aan die vergadering een bestuurlijk gesprek.

Het college besluit het betrokken raadslid een ‘bestuurlijke uitnodiging’ te sturen voor een gesprek met de

verantwoordelijke wethouder RO, waarin het betrokken raadslid zijn verzoek persoonlijk kan toelichten.

Tevens wordt besloten dat er een ambtenaar bij het gesprek aanwezig zal zijn voor het maken van een

verslag. Daarbij wordt bewust een keuze gemaakt voor een andere ambtenaar dan betrokken ambtenaar.

Dit mede in verband met voorkennis van de betrokken ambtenaar van de plannen en zijn betrokkenheid bij

de werkgroep en het concept advies voor het college. Daarom wordt een ambtenaar van een andere

afdeling gevraagd bij het gesprek aanwezig te zijn. Deze wordt hierna aangeduid als de notulist.

Het betrokken raadslid merkt in het kader van wederhoor op dat de ‘bestuurlijke uitnodiging’ een

telefonische uitnodiging van de secretaresse van de wethouder betrof.

6.6 Gesprek wethouder met betrokken raadslid

6.6.1 Gesprek 5 februari 2010

Het gesprek tussen de wethouder en het betrokken raadslid vindt plaats op 5 februari 2010. Ter

voorbereiding op het gesprek oriënteert de wethouder zich op de casus en laat zij zich hierover informeren.

Tot haar verbazing constateert de wethouder dat er geen documenten in het bezit zijn van de gemeente

met betrekking tot de voorgeschiedenis van de plannen. Zij vraagt daarom aan betrokken ambtenaar om

een en ander te verzamelen.

Naar aanleiding hiervan wordt door de betrokken ambtenaar, kort voor het gesprek op 5 februari, contact

opgenomen met de secretaris van de werkgroep, met het verzoek de tekeningen te sturen over de

aanpassing van de plannen in 2006. De betrokken ambtenaar zegt hierover:

“Ik heb de heer [secretaris werkgroep] verteld dat de heer [betrokken raadslid] een gesprek met de

wethouder kreeg over zijn verzoek grond te verwerven en dat de wethouder geïnformeerd wilde zijn over de

eerdere gang van zaken. Ja, ik heb dus de aanleiding van mijn verzoek kenbaar gemaakt. Ik vind dit niet zo

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 14

vreemd, omdat de heer [secretaris werkgroep] toch al van deze wens van de heer [betrokken raadslid] op

de hoogte was…”

De secretaris van de werkgroep geeft vervolgens op 5 februari 2010 ‘hals over kop’ persoonlijk de twee

tekeningen (eerste plan en tweede plan uit 2006) en een begeleidende brief af bij de gemeente. In deze

brief verwoordt de secretaris van de werkgroep de gang van zaken in 2006 als volgt:

‘De architect heeft toentertijd namens de Stichting Kulturhus een plan gemaakt voor het uitbreiden en

verbouwen van het Erve Boerrigter. Het plan (bijlage 1) is destijds met de buurtbewoners besproken en de

heer [betrokken raadslid] heeft toen bezwaren gemaakt. Zijn bezwaar was met name dat de achtergevel

van Erve Boerrigter te dicht op de erfgrens van zijn perceel kwam. Naar aanleiding van zijn bezwaar is het

plan aangepast (bijlage 2). Dit gewijzigde plan is wederom besproken met de buurtbewoners. Zij konden

zich inclusief de heer [betrokken raadslid] in het nieuwe plan vinden en gingen allen akkoord. Wij willen u

duidelijk maken dat het huidige plan het destijds gewijzigde en voor akkoord bevonden plan is.’

De secretaris van de werkgroep merkt later tegen BING op dat er geen sprake was van een formeel

bezwaar, maar dat de plannen in goed onderling overleg zijn aangepast.

De wethouder neemt voorafgaande aan het gesprek met betrokken raadslid kennis van de aanwezige

stukken, waaronder de hiervoor genoemde brief. Zij is dus voor het gesprek op de hoogte van het feit dat

het oorspronkelijke plan van nieuwbouw/uitbreiding van het Kulturhus al een keer is aangepast op verzoek

van omwonenden. De wethouder zegt hierover:

”Dit was een redelijke aanpassing/verschuiving, want het gebouw lag in eerste instantie wel heel dicht

tegen de gevel van de heer [betroken raadslid] aan. Consequentie van deze verschuiving was echter wel

dat er voor de bouw volgens het tweede plan, een ontheffing van het bestemmingsplan nodig zou zijn. Hier

kan bezwaar tegen worden ingediend.”

Over het beeld dat de wethouder, voorafgaand aan het gesprek met het betrokken raadslid, heeft van het

verzoek van het raadslid, verklaart zij tegen BING:

“Als een raadslid met zo’n verzoek komt, vind ik dat tricky. Ik wilde dat hij het verzoek zou toelichten, als

ook hoe de aanpassing van een paar jaar geleden tot stand was gekomen. Ik wilde weten welke

drukmiddelen toen gebruikt zijn. Ik vond het belangrijk dat het gesprek op papier werd vastgelegd, omdat

grondverkoop altijd in openbaarheid moet plaatsvinden.”

Het betrokken raadslid zegt dat hij als burger naar het gesprek met de wethouder is gegaan. Hij had dit

graag samen met zijn vrouw gevoerd, maar zij was verhinderd. Het raadslid vertelt dat hij de afwezigheid

van zijn vrouw wel vervelend vond, maar dat hij een dergelijk groot vertrouwen in de wethouder had en dat

hij geen risico’s zag om alleen naar het gesprek te gaan.

“Ik had graag samen met mijn vrouw naar deze afspraak willen gaan, omdat dit een zaak voor mij als

burger betreft. Maar mijn vrouw was helaas verhinderd. Ik ben daarom alleen gegaan. Ik had ook het volste

vertrouwen in beide wethouders, dus ik had geen reden voorzichtig te zijn. Beide wethouders komen van

buiten Losser en hebben de laatste maanden bestuurlijke rust gebracht. Ze hebben juist appèl gedaan op

rust en vertrouwen en hebben in een mondeling gesprek aangegeven dat zaken ook wat informeler konden

worden aangepakt. Hier kon ik mij helemaal in vinden. ..”

De betrokken wethouder merkt in het kader van wederhoor hierover het volgende op:

“Wethouder [naam wethouder] en ikzelf hebben bij ons aantreden in november een gesprek met alle

fracties gevoerd en duidelijk gemaakt dat wij als zakencollege er voor de gehele raad zijn. Dus ook voor de

oppositiepartijen en we hebben ons beschikbaar verklaard voor informatie over politieke en bestuurlijke

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 15

kwesties, zodat vragen die in het verleden via de formele schriftelijke procedures aan het college werden

gesteld, mogelijk eenvoudiger en sneller beantwoord konden worden via de weg van informeel contact.

Dat betrof dus heel duidelijk politieke en bestuurlijke kwesties.

Voor privé zaken, die in gesprekken met burgers in het verleden wel eens zonder ambtelijke ondersteuning

zijn gevoerd, werd de beleidslijn afgesproken dat er altijd een ambtenaar bij het gesprek aanwezig was en

dat de wethouder van tevoren op de hoogte werd gebracht. Ook dat is met alle raadsleden gedeeld.

De veronderstelling van de heer [betrokken raadslid] dat hij als burger een beroep kan doen op de afspraak

met raadsleden over informele gesprekken, is dus onjuist.”

Het gesprek heeft voor het betrokken raadslid een informatief en onderzoekend karakter over de

mogelijkheden en onmogelijkheden van zijn voorstel. Hij verklaart tegen BING dat hij geen schriftelijke

verzoek wilde indienen, omdat hij eerst samen met de wethouder de verschillende opties van zijn voorstel

wilde verkennen. Hij zegt hierover:

“Ik wilde geen brief of zienswijze indienen zonder vooroverleg. Ik wilde al helemaal niet de plannen voor het

Kulturhus in gevaar brengen. Je moet toch eerst enigszins de mogelijkheden of onmogelijkheden weten

voordat je iets kunt aanvragen.”

6.6.2 Afspraken over verslag

De notulist heeft ter voorbereiding op het gesprek met de wethouder de juridische kaders van de

onderhavige casus doorgenomen. Op de vraag of zij het betrokken raadslid heeft geïnformeerd over het feit

dat zij een verslag zou maken van het gesprek, verklaart zij desgevraagd:

“De wethouder vroeg in het gesprek aan de heer [betrokken raadslid] of hij het goed vond dat ik een verslag

zou maken. De heer [betrokken raadslid] antwoordde of mompelde iets in de trant van ‘ja ja, oké’.”

Het betrokken raadslid stelt dat hij niet wist dat er een verslag van het gesprek zou worden gemaakt.

Volgens hem zouden er alleen enkele aantekeningen worden gemaakt. Hij zegt hierover:

“Deze afspraak is ook niet gemaakt, want als ik wist dat er een verslag zou worden gemaakt, dan had ik het

wel opgevraagd.

(…)

De wethouder zei dat door de aanwezige ambtenaar aantekeningen zouden worden gemaakt. Ik heb daar

niet zo’n acht op geslagen. Ik wist niet dat er een ambtenaar bij het gesprek aanwezig zou zijn, maar het

verbaasde mij ook niet. Voor mij was de insteek van het gesprek heel helder. Het ging om een informeel

gesprek, waarin ik met de wethouder de mogelijkheden en de onmogelijkheden van mijn eventuele

aankoop van groenstrook wilde verkennen/onderzoeken. Het was heel helder dat ik daar als burger

aanwezig was. Ik had ook absoluut niet het idee dat het een formele setting was. Ik heb duidelijk

aangegeven dat het informeel / verkennend gesprek zou zijn. In mijn beleving heb ik dan ook op dat

moment absoluut geen formeel verzoek ingediend.”

De notulist verklaart als volgt over de sfeer van het gesprek:

“Het gesprek begon informeel en werd niet duidelijk afgekaderd. De wethouder wilde weten hoe de heer

[betrokken raadslid] erin zat. Het verslag is ook een beetje een ‘Tante Betje verslag’. Ik heb geprobeerd de

sfeer en de opbouw goed weer te geven.

(…)

De heer [betrokken raadslid] gaf aan dat hij geen belangstelling had voor planschade, het ging hem om zijn

familie en om zijn privacy. Daar had hij alles voor over. Hij wilde grond aankopen en de kaart kwam op tafel.

Het gesprek had toen nog een open sfeer en de wethouder vroeg goed door. Ineens kwam hij echter met

het voorstel om de grond ‘om niet’ te willen verwerven. Hij vermeldde hierbij dat hij anders bezwaar zou

maken. De wethouder schrok hiervan en vroeg nogmaals: Meen je dit nu echt? Daarna sloeg de stemming

van het gesprek ook om.

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 16

(…)

De opbouw die in het gesprek zat was opvallend. De heer [betrokken raadslid] begon over aankoop van

grond en ineens wilde hij de grond ‘om niet’. Dan zou hij geen bezwaar maken. Ik denk dat hij op stoom

raakte en het gewoon probeerde. Hij was van mening dat hij als raadslid wel voor een privézaak mocht

vechten.

(…)

Hij was naar mijn mening in de overtuiging dat hij niets verkeerd deed.”

6.6.3 Inhoud gesprek

Het betrokken raadslid verklaart zelf over het gesprek van 5 februari tegen BING als volgt:

“Het was een redelijk gesprek, het verliep niet vreemd. Ik heb verteld dat ik graag een stuk grond zou willen

aankopen in verband met de uitbreiding van het Kulturhus. Verder heb ik verteld dat ik weet dat er

planschade aan zit te komen. Ik zou dat graag op de één of andere manier met elkaar verrekend zien

worden. Ik heb gezegd dat ik geen interesse heb voor geld. Een meerbedrag aan planschade zou de

gemeente mogen houden en wanneer ik iets zou moeten bijbetalen, was dat wat mij betreft geen

probleem.”

De betrokken wethouder merkt in het kader van wederhoor op dat er niet is gesproken over bijbetalen.

Het betrokken raadslid verklaart tegen BING dat hij geen slecht gevoel had over het gesprek. Wel had hij

het gevoel dat de wethouder de grond niet wilde verkopen.

“We hebben gepraat over het te verkopen stuk grond. De wethouder was zich ervan bewust dat de

gemeente bij verkoop geen toegang zou hebben tot de achterkant van het gebouw. Ik heb aangegeven dat

ze er natuurlijk altijd bij zouden kunnen, daarover zouden we afspraken kunnen maken. De wethouder had

wel een houding van ‘wat komt er nu weer’. Ik heb haar proberen duidelijk te maken dat ik alle

mogelijkheden graag wilde bespreken, omdat ik dan beter weet wat ik straks op papier moet zetten bij een

eventueel bezwaar of zienswijze. Ik wilde namelijk nog goed overleg plegen met mijn deskundige (architect)

en eventueel met mijn rechtsbijstandverzekeraar of het zin had om een verzoek of zienswijze in te dienen. “

De betrokken wethouder vertelt over de toonzetting in het begin van het gesprek:

“De toon was open en niet arrogant. Hij probeerde begrip te krijgen voor zijn zaak.”

Voorts verklaart zij:

“De heer [betrokken raadslid] lichtte zijn plan heel open toe. Hij vertelde ook wat er in het verleden gebeurd

was. Hij wilde nu een stuk grond verwerven. Hij sprak aanvankelijk over aankoop. Maar ineens sloeg hij

een stap over. Hij ging ervan uit dat hij planschade zou krijgen, maar dat wilde hij niet. Het ging hem om

een uitruil. Als hij zijn zin niet zou krijgen, zou hij bezwaar maken. Ik wilde dit verzoek niet gelijk labelen,

maar dacht gelijk aan chantage. Ik heb hem nog in de gelegenheid gesteld het beter uit te leggen. Voor mij

was het toen geen informeel gesprek meer en ik was behoorlijk geraakt. Ik dacht dit kan niet! Hij snapte zelf

niet eens dat hij iets verkeerds deed.”

Het betrokken raadslid merkt hierover op in het kader van wederhoor:

“De wethouder geeft hier aan dat het op een zeker moment voor haar zelf geen informeel gesprek meer is.

Op dat moment heeft de wethouder dat echter niet uitgesproken. “

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 17

De wethouder is wel van mening dat een raadslid voor zijn burgerbelang mag opkomen. Ze zegt hierover:

“Natuurlijk, dat is zijn burgerlijk recht. Ook het indienen van een bezwaar, staat raadsleden vrij. Maar de

heer [betrokken raadslid] is fractieleider van een grote partij en zou het goede voorbeeld moeten geven, hij

heeft er op zijn achter erf een zooitje van gemaakt. Ik verwijs hierbij naar een illegale uitrit en een illegaal

schuurtje voor de stalling van zijn caravan. Bovendien is al eens eerder met zijn belangen rekening

gehouden. Met dit verzoek drukte hij bij mij op een verkeerde knop. ”

Voorts verklaart de betrokken wethouder:

In het gesprek is het niet zozeer gegaan over koop of over het ‘om niet’ verkrijgen. Het is meer over de

consequenties van zijn verzoek gegaan. Het betrokken raadslid had een tranentrekkend verhaal over het

belang van zijn familie en zijn kinderen. Hij was zich ervan bewust dat hij zich als raadslid uit eventuele

verdere procedures terug zou moeten trekken. Ik heb zijn verzoek niet los gezien van zijn politieke functie.”

Het betrokken raadslid zegt tegen BING dat hij de wethouder aan het eind van het gesprek om een

terugkoppeling heeft gevraagd. De wethouder gaf daarbij volgens het raadslid aan dat zij overleg zou

moeten plegen met het college. Hiermee heeft het raadslid naar eigen zeggen ingestemd. Het beeld dat hij

hierbij had was dat de wethouder informeel met haar collega wethouder en de burgermeester zijn verzoek

zou afstemmen. Dit vond het betrokken raadslid op dat moment niet vreemd, omdat de wethouder nog

maar kort werkzaam was in Losser en daardoor niet volledig op de hoogte kon zijn van alle details van het

plan. Hijzelf zou de teruggekoppelde informatie gebruiken om zijn verzoek wel of niet in te dienen, zo

verklaart hij tegen BING.

“De wethouder was van mening dat zij dit even moest terugkoppelen aan het college. Eigenlijk was ik zelf

na afloop van dit gesprek niet veel wijzer geworden. Er zijn geen concrete afspraken gemaakt aan het

einde van het gesprek. ”

De wethouder verklaart dat het betrokken raadslid een gemotiveerd antwoord van het college wilde hebben.

Hij wilde dit graag op korte termijn ontvangen, in verband met het eventueel indienen van een bezwaar. De

wethouder verklaart dat zij heeft toegezegd zijn verzoek in het college te brengen en hem daarover te

berichten. Zij ging er hierbij van uit dat het betrokken raadslid zou begrijpen dat zij een en ander op papier

zou zetten. De wethouder zegt hierover tegen BING:

“De afspraken hierover aan het einde van het gesprek gingen voornamelijk over de termijnen en het

onderbouwen van een eventuele afwijzing door het college. Ik heb niet helder gezegd dat hij een

schriftelijke reactie zou krijgen. Ik was te bezwaard vanwege zijn verzoek. Het heeft de heer [betrokken

raadslid] kennelijk verrast, maar hij weet dat er een stuk nodig is voor een gemotiveerd antwoord van een

college. De heer [betrokken raadslid] heeft mij nota bene een email gestuurd, waarin hij informeerde hoe

het met zijn verzoek stond.”

Volgens de notulist kende het gesprek een tamelijk open einde:

“De heer [betrokken raadslid] wilde weten hoe het college erover dacht en hij meldde dat hij juridisch advies

wilde inwinnen. Hij benadrukte daarbij dat als de schikking niet zou lukken, hij dan alsnog bezwaar wilde

indienen.

(…)

“Er is niet besproken wat er precies met het verslag zou gaan gebeuren. De wethouder heeft wel gezegd

dat ze met een mondeling verzoek niets kon richting het college. De heer [betrokken raadslid] wilde wel dat

het college zou reageren. Maar er zijn geen precieze afspraken gemaakt over de gang van zaken. Het

tijdspad is wel gezamenlijk doorgenomen, omdat er tijdsdruk was vanwege het indienen van het bezwaar.

Ik heb dit helaas niet allemaal helder kunnen opschrijven. In een dergelijk gesprek worden ook veel dingen

niet gezegd.”

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 18

Na het gesprek praten de notulist en de wethouder nog even na. Hierover zegt de notulist het volgende:

“We waren allebei verbaasd dat hij het zo hard poneerde; de ruil tussen de verwerving van de grond en het

bezwaar maken. De wethouder was van mening dat de heer [betrokken raadslid] heel goed wist dat hij

verkeerd zat, maar dat hij deed alsof hij dat niet wist. Ik persoonlijk weet het niet zo goed. Volgens mij was

hij er echt niet van bewust iets verkeerds te vragen.”

6.6.4 Uitwerking verslag

De notulist zegt dat ze het verslag diezelfde dag thuis heeft uitgewerkt. Op maandag 8 februari 2010 heeft

ze het verslag doorgestuurd naar de wethouder.

De wethouder is door BING gevraagd of het voor het betrokken raadslid voldoende duidelijk was dat er een

verslag van het gesprek zou worden gemaakt, of dat het raadslid ook in de veronderstelling zou kunnen zijn

dat er slechts gespreksaantekeningen waren gemaakt. Volgens de wethouder zou dit niets uitmaken,

omdat beiden onderdeel zouden zijn van het verzoek richting college.

Het verslag van het gesprek van 5 februari is niet aan het raadslid voorgelegd. De wethouder geeft hiervoor

de volgende reden:

“Dat hebben we niet gedaan, omdat we dat ook niet hadden afgesproken. De heer [betrokken raadslid]

heeft ook niet om zijn verslag verzocht. Ik vond het wel heel belangrijk dat er een verslag kwam, omdat ik

het fatsoen en de integriteit in deze gemeente wil herstellen. De heer [betrokken raadslid] heeft in mij

precies de verkeerde persoon getroffen met een dergelijk verzoek.”

De wethouder zegt dat er weliswaar niets verloren was geweest als het verslag wel was voorgelegd aan het

raadslid, maar dat hier niet voor is gekozen:

… ik wilde geen discussie over het verslag, want er zat tijdsdruk achter. Ik heb hem in het gesprek bij

herhaling gevraagd of hij het echt meende. Overigens heeft de heer [betrokken raadslid] nu een zienswijze

ingediend, waarin hij met hetzelfde verzoek komt…. Het verzoek om 300 meter grond te kopen. ”

Het betrokken raadslid merkt in het kader van wederhoor hierover op:

“Nergens in onze zienswijze wordt er gesproken over 300 meter grond. Dit wordt telkens gesuggereerd.”

Het betrokken raadslid benadrukt dat hij betreurt dat hij alleen naar de wethouder is gegaan. Hij was

voornemens met zijn vrouw te gaan, ook om uit te stralen dat hij als burger met de wethouder wilde praten.

Helaas was zijn vrouw die dag verhinderd. Het raadslid is van mening dat hij niet gedreigd heeft met het

indienen van bezwaar. Hij zegt hierover:

“Ik heb het volgende gezegd. Indien verkoop van de grond niet mogelijk is wil ik overleg plegen met mijn

deskundigen. Afhankelijk van hun advies wil ik wel of geen verzoek/ zienswijze indienen.”

Tevens vindt het raadslid het zeer kwalijk dat er nu gecommuniceerd wordt dat hij de grond ‘om niet’ zou

willen hebben. Hij zegt hierover:

“Ik heb gezegd dat het verrekend kan worden met de planschade die ik heb. In mijn beleving is de grond

ongeveer € 50 per meter waard (x 300 meter is € 15.000). Mijn vrouw en ik achten de planschade die wij

tegemoet kunnen zien, groter. Ik ben niet uit op geld en zat daar met de beste bedoelingen. Ik heb zelfs

gezegd dat de gemeente het restbedrag niet hoeft uit te betalen, de gemeente mag het ‘om niet’ hebben.

Dit is nu 180 graden de andere kant uit gedraaid.”

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 19

De betrokken wethouder merkt in het kader van wederhoor op dat er in het gesprek niet is gesproken over

bedragen en dus ook niet dat de gemeente het restbedrag zou mogen houden. Volgens haar is de

bewering van het betrokken raadslid daarom onjuist.

De familie van het betrokken raadslid verwacht dat de planschade groter is dan €15.000. Door de aanbouw

van het Kulturhus zal de waarde van het pand van de familie in waarde dalen. De bedragen van de

planschade of van de te verwerven grond zijn tijdens de gesprekken volgens hem niet expliciet ter sprake

gekomen. Er is ook geen inschatting gemaakt. Het betrokken raadslid geeft aan dat hij zijn voorstel heeft

gedaan vanuit de overtuiging dat de planschade groter zou uitvallen dan de prijs voor het te verwerven stuk

grond.

Het betrokken raadslid vraagt zich af waarom de wethouder niet heeft ingegrepen als zij het gesprek zo

aanstootgevend vond. Hij zegt hierover tegen BING:

“Dan had zij tijdens het gesprek de rode kaart moeten trekken en moeten zeggen: de heer [betrokken

raadslid] dit kan niet, u bent wel raadslid. Dan had zij het gesprek moeten beëindigen.”

Het betrokken raadslid reageert tevens op het gegeven dat de wethouder een ander beeld had bij de

afspraak aan het einde van het gesprek. Het betrokken raadslid zegt hierover:

“Geen enkele burger kan eventjes naar de wethouder lopen om te praten en daarmee een formeel verzoek

achterlaten. Dit had zij dan op zijn minst moeten bevestigen. Zij hoeft voor mij en mijn vrouw niets op papier

te zetten. Dat doet zij voor andere burgers ook niet. Wij kunnen echt wel ons eigen verzoek formuleren.

Dan had zij mij dat gewoon moeten vragen.”

Op de vraag of er tijdens het gesprek is stilgestaan bij het bepaalde in artikel 15 van de Awb, verklaart het

betrokken raadslid dat hij niet op de hoogte was van deze bepaling en dat dit ook niet ter sprake is

gekomen in het gesprek. Hoewel hij zich realiseert dat ‘een ieder geacht wordt de wet’ te kennen, is het

betrokken raadslid van mening dat de wethouder, de burgemeester, de griffier, de gemeentesecretaris

en/of, de betrokken ambtenaar of de wethouder hem hiervan op de hoogte hadden moeten stellen.

6.7 Vervolgtraject

In de week van 8 februari 2010 wordt de betrokken ambtenaar benaderd door een raadslid van de PvdA.

De betrokken ambtenaar stelt hierover:

“Raadslid [naam raadslid] belde met de mededeling dat hij gehoord had, dat de heer [betrokken raadslid]

een stuk grond wilde, maar dat als hij dat niet zou krijgen, hij bezwaar zou aantekenen. Ik heb de heer

[naam raadslid] gezegd dat dit klopt. Ik heb hem doorverwezen naar de wethouder. Ook heb ik gezegd dat

dit een ongelukkige situatie is en dat ik hierover met hem niet van gedachten wilde wisselen. De situatie is

ongelukkig, omdat de heer [naam raadslid] een raadslid is. Hij is geen politieke vriend van de heer

[betrokken raadslid]. Ik heb het dus alleen feitelijk bevestigd. Ik keek niet op van het feit dat hij het wist “.

Gevraagd naar de reden waarom een raadslid naar hem toekomt, stelt de ambtenaar dat het iedereen

bekend is dat hij zich bezighoudt met de plannende ambtenaar is die betrokken is bij het dossier Erve

Boerrigter.

Op 10 februari schrijft hetzelfde PvdA-raadslid een mail aan de betrokken wethouder, met als titel ‘integer

raadslid’. In deze email schrijft hij onder meer:

“…. Gisteren hoorde ik dat [betrokken raadslid] een stuk grond om niet eist en anders gaat dit integere

raadslid bezwaar maken tegen de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan ten behoeve van het

Kulturhus in De Lutte. … Ik weet niet hoe jij hier over denkt, maar ik heb de neiging om deze meneer de

fatsoensrakker, die ons er voortdurend op wijst hoe wij integer dienen te handelen, eens flink op zijn

nummer te zetten. Ik weet nog niet hoe, maar ik wil dit graag naar buiten brengen. Weet echter niet of dit

verstandig is. Kunnen we het er een keer over hebben, misschien met de fractie? “

Een minuut later stuurt het raadslid een email erachteraan, waarin staat:

“Ps. Vergeten; wel graag nog even de mond dicht!! Heb ik een ambtenaar beloofd.”

De wethouder reageert dezelfde dag per email, waarin ze schrijft:

“Dag [naam raadslid]. Ik weet ervan en heb [betrokken raadslid] al laten weten het principieel onjuist te

vinden. B&W zal er binnenkort, ruim voor de verkiezingen, over besluiten, wacht tot zolang met lawaai

maken.”

De wethouder verklaart dat zij geen belang heeft bij het voorstel van het raadslid en dat zij neutraal heeft

gereageerd. Zij weet niet hoe het PvdA-raadslid aan de informatie kwam. Ze vermoedt dat hij het in De

Lutte heeft opgepikt, omdat daar ‘het verhaal al rond zong’.

Het betrokken raadslid merkt in het kader van wethouder hierover op:

“Hoe komt een PVDA raadslid een dag na het maken van het verslag aan deze informatie, terwijl

betrokkene nergens van op de hoogte is en zelfs niet weet dat er een verslag is. In deze paragraaf kun je

lezen dat hier een ambtenaar informatie geeft, die hij niet mag geven. Tevens kun je uit dit punt duidelijk

opmaken dat men hier politiek wil bedrijven, zie woorden als: ‘mond dicht’, ‘beloofd’, ‘voor de verkiezingen’

en ‘lawaai maken’ De laatste twee zijn te lezen in de mail van de betrokken PVDA wethouder.”

6.8 Besluitvorming college

In verband met termijnen van agendering, wordt het verzoek van het raadslid niet op 9 februari maar op 16

februari 2010 in het college besproken. Het verzoek van het betrokken raadslid staat als volgt verwoord in

het voorstel aan het college:

‘Aanleiding: De heer [betrokken raadslid], heeft ten overstaan van wethouder [betrokken wethouder]

verzocht om een deel van het erf bij Erve Boerrigter met een oppervlakte van circa 300 m2 om niet of voor

een symbolisch bedrag aan hem over te dragen. De heer [betrokken raadslid] heeft aangekondigd dat hij of

zijn echtgenoot bezwaar zal maken tegen de voorgenomen uitbreiding van Erve Boerrigter indien uw

college niet op zijn verzoek ingaat.”

In het collegevoorstel, dat is opgesteld door de betrokken ambtenaar, is een conceptbesluit opgenomen. Dit

luidt:

1. De strook grond van circa 300 m2 niet gratis of tegen een symbolisch bedrag overdragen aan de

heer {betrokken raadslid]

2. De heer [betrokken raadslid] berichten cf. bijgevoegde conceptbrief’

In het collegevoorstel wordt het conceptbesluit beargumenteerd. Daarbij worden vier argumenten genoemd:

‘Overdracht van de grond betekent dat de achterzijde van het nieuwe gebouw niet vanaf eigen grond

bereikbaar is.

In een eerder stadium is de nieuwbouw al opgeschoven op verzoek van de heer [betrokken raadslid]

Erve Boerrigter is een gemeentelijk monument

Er rust een maatschappelijke bestemming op de grond.’

In het collegevoorstel worden tevens een viertal kanttekeningen genoemd:

‘Met de verkoop van de strook grond kan de heer [betrokken raadslid] het verlies aan uitzicht, privacy

en waardevermindering compenseren.

Niet verkopen levert een bezwaarschrift op.

Vertraging inzake de uitbreiding van Erve Boerrigter kan problemen opleveren met de subsidiering.

Er ligt nog een groenstrook, maar die is bestemd als functioneel groen.’

Blijkens het document wordt er tijdens de vergadering een tweetal besluiten door het college genomen:

1. De strook grond van circa 300 m2 niet gratis of tegen een symbolisch bedrag overdragen aan de

heer [betrokken raadslid]

2. Na definitieve vaststelling van de besluitenlijst op 23 februari de heer [betrokken raadslid] schriftelijk

informeren.

Het verslag van het gesprek van 5 februari 2010 is bij het collegevoorstel gevoegd. De wethouder zegt over

de status van het verslag:

“Het verslag is geclassificeerd als onderliggend stuk van een besluit. We vonden dat het passief openbaar

moest zijn.”

Over de besluitvorming in het college zegt de burgemeester:

“We zijn extra voorzichtig en zorgvuldig geweest en hebben zijn verzoek behandeld als een verzoek van

een burger.”

Na de collegevergadering van 16 februari 2010 stuurt de gemeentesecretaris een mail naar een collega van

de afdeling DIV. Hierin schrijft hij:

‘punt 11 O, verkoop gronden Erve Boerrigter, nog geen acties ondernemen!!! Dossier met besluit en alle

bijlagen direct naar mij retour. Geen brieven uitdoen voor definitieve vaststelling besluitenlijst volgende

week. Volgende week handelen [betrokken ambtenaar] en ik dit af.’

Het betrokken raadslid wordt nog niet ingelicht over het genomen besluit van het college. Tot op de dag van

vandaag verklaart hij het collegevoorstel ook niet te hebben gezien.

Het raadslid verklaart voor de raadsvergadering van dinsdagavond 9 februari 2010 in de gang even

aangesproken te zijn door de wethouder. Het raadslid zegt hierover:

“Ze meldde dat ze er nog niet aan was toegekomen.”

Op donderdag 18 februari 2010 stuurt het betrokken raadslid een email aan de wethouder. Hij schrijft hierin:

“Goedemorgen mevrouw [betrokken wethouder], Is er al iets meer bekend over ons verzoek inzake het

Kulturhus.”

Het betrokken raadslid zegt hierover:

“De mail bewijst voor mij dat ik er dus nog heel onderzoekend en informatief instond. Anders had ik niet op

deze informele toon met de wethouder gecommuniceerd…”.

Diezelfde dag stuurt de wethouder de volgende reactie:

“Dag [betrokken raadslid], Afgelopen dinsdag hebben we de eerste bespreking in het college gehad en

ronden dat volgende week af. Ik bel je op het eind van de dinsdagochtend…”

Op 23 februari 2010 wordt de concept besluitenlijst van de op 16 februari 2010 genomen besluiten van het

college vastgesteld. De concept besluitenlijst is volgens de gemeentesecretaris op maandagavond 22

februari 2010 reeds onder embargo naar de pers verstuurd. Dit is volgens de gemeentesecretaris een

normale gang van zaken. De gemeentesecretaris erkent dat hier sprake kan zijn van spanning tussen het

tijdig communiceren van collegebesluiten naar buiten toe en de status van het besluit die het op het

moment van verstrekken aan de pers nog heeft.

De gemeentesecretaris verklaart dat direct na de vergadering van het college de wethouder het betrokken

raadslid telefonisch heeft geïnformeerd over het genomen besluit. Om 12.00 uur is er volgens hem een

persconferentie gehouden, waarbij de besluitenlijst is toegelicht. Volgens de gemeentesecretaris heeft het

betrokken raadslid nog diezelfde middag een brief ontvangen met daarbij gevoegd een kopie van het

gespreksverslag.

De wethouder bevestigt dat zij, direct na de collegevergadering van 23 februari 2010, het betrokken

raadslid telefonisch heeft ingelicht over het genomen besluit. Zij zegt hierover:

“We hebben dit heel zorgvuldig willen doen. Na het college van 23 februari heb ik hem persoonlijk gebeld,

alvorens de pers in te lichten. De pers had weliswaar een dag eerder al de concept besluitenlijst onder

embargo ontvangen, maar dat is normaal.”

Volgens het betrokken raadslid is hij pas gebeld nadat de pers al was ingelicht. Hij zegt hierover tegen

BING:

“Op 23 februari werd ik om ongeveer 12.30 uur mobiel gebeld door de wethouder. Zij stelde me in kennis

dat ik de grond niet zou kunnen kopen. Dit was formeel vastgesteld in het college. Zij zei dat de

persconferentie al was geweest, dit is standaard. Eén en ander zou per brief worden bevestigd. Ik heb

tijdens dit telefonisch gesprek verbaasd gereageerd. Ik heb gevraagd hoe het kan dat er een formeel besluit

is genomen, terwijl ik op 5 februari alleen nog maar een informeel gesprek heb gevoerd. Dit is volgens mij

geen correcte gang van zaken. Er is geen verslag door beide partijen geaccordeerd, dus hoe kan ik dan

een formeel verzoek in hebben gediend. Ook heb ik geen ontvangstbevestiging van de gemeente gekregen

dat ik zogenaamd een verzoek zou hebben ingediend wat toch een vaste procedure is.”

Volgens de betrokken wethouder blijkt uit haar agenda en de telefoonlijst dat zij tegen kwart over elf met het

nummer van het betrokken raadslid heeft gebeld:

In dat gesprek heb ik hem op de hoogte bracht van het besluit van het college. In antwoord op zijn vraag

over de persconferentie, heb ik gemeld dat de besluitenlijst onderwerp is op de persconferentie die daarna

om 12 uur zou plaatsvinden. Hij heeft de brief per mail diezelfde middag ontvangen.

De gemeentesecretaris merkt in het kader van wederhoor hierover op:

“Volgens de uitdraai van de computer is er vanuit het gemeentehuis direct na de collegevergadering, die

deze ochtend niet lang duurde, om 11.08 uur gebeld vanuit het gemeentehuis met de heer [betrokken

raadslid]. Dit moet het telefoontje van wethouder [naam wethouder] zijn geweest.”

Het betrokken raadslid neemt dezelfde middag nog contact op met de griffier:

“Ik heb hem gemeld dat ik het een onjuiste afhandeling vond van een informeel gesprek. Er heeft geen hoor

en wederhoor plaatsgevonden. Ik classificeer dit als niet integer.”

De griffier bevestigt dat hij is gebeld door het betrokken raadslid. Volgens hem vroeg het betrokken raadslid

in dit gesprek hem druk uit te oefenen op de wethouder en de burgemeester om te voorkomen dat het

collegebesluit gepubliceerd zou worden.

De griffier verklaart voorts dat hij op 19 februari vertrouwelijk is geïnformeerd door de burgemeester over

het collegebesluit en dat dit besluit op 23 februari definitief zou worden vastgesteld. De griffier heeft naar

eigen zeggen aan de burgemeester gevraagd of het betrokken raadslid daarvan al op de hoogte was. De

burgemeester zou hebben geantwoord dat het betrokken raadslid persoonlijk geïnformeerd zou worden.

Op 23 februari 2010 belt het betrokken raadslid met de wethouder. Over de inhoud van dit gesprek zegt hij:

“Zij vond dat zij juist had gehandeld. Zij zei dat ik nu geen krokodillentranen moest gaan huilen. Ikzelf was

best boos. Ik heb haar duidelijk aangegeven dat er een groot meningsverschil over de status van het

gevoerde gesprek op 5 februari is.”

Het betrokken raadslid probeert diezelfde dag ook telefonisch contact te leggen met de burgemeester, maar

die krijgt hij niet aan de telefoon.

Het betrokken raadslid verklaart dat hij op woensdag 24 februari het gespreksverslag van 5 februari per

email heeft ontvangen. Op 25 februari ontvangt hij per post van de gemeente het collegebesluit en het

gespreksverslag. Over het verslag zegt hij tegen BING:

“Het gespreksverslag klopt niet met hetgeen er verwoord is. Het gespreksverslag wat op 25 februari door

mij is ontvangen komt absoluut niet overeen met hetgeen op 5 februari gezegd is. Ook is het verslag niet ter

accordering en aan mij aangeboden.”

Op 24 februari 2010 spreekt het betrokken raadslid telefonisch met de burgemeester. Hierover zegt hij:

“Tijdens dit onderhoud heb ik hem gezegd dat er een onjuiste procedure is gevolgd en dat ik dit niet integer

vind. Er heeft geen hoor en wederhoor plaatsgevonden. Ik heb hem gevraagd of hij, als voorzitter van de

raad en als bruggenbouwer zou willen ingrijpen. Dit in verband met de gevoeligheid voor mij persoonlijk,

mijn familie maar ook voor de verkiezingen. Ik kreeg echter het idee dat de burgemeester niets wilde doen.

We werden het niet eens over de status van het gevoerde gesprek van 5 februari. Ik ben van mening dat

wanneer je van mening verschilt over de status van iets, je eerst op onderzoek uitgaat. Je gaat niet eerst

naar pers. Mijn partijgenoten mevrouw [naam raadslid] en de heer [naam raadslid] hebben meegeluisterd

met dit telefoongesprek. We voerden namelijk een verkiezingscampagne op de markt in Overdinkel en

stonden naast me, toen ik het gesprek met de burgemeester had. Tijdens het gevoerde gesprek heb ik wel

aangegeven dat voornoemde personen bij me waren. Tevens heb ik aangegeven dat ik niet kon begrijpen

dat deze kwestie zo gespeeld werd.”

De familie van het raadslid stuurt op vrijdag 26 februari 2010 een inhoudelijke reactie op het

gespreksverslag naar de burgemeester, met het verzoek deze reactie ‘persoonlijk en discreet af te

handelen’. Het betrokken raadslid verklaart dat de familie hiermee heeft willen aangeven dat de kwestie

door de voorzitter van de raad zou moeten worden opgelost en niet in de pers zou moeten worden

uitgemeten. In deze reactie op het verslag schrijft de familie onder meer het volgende:

‘…. Wat er nu is gebeurd, dat een informeel gesprek een formeel karakter heeft gekregen door toedoen van

wethouder [naam wethouder]. Als u dit verslag een formeel karakter geeft had dit naar mij gecommuniceerd

moeten worden voor het ingaan van het gesprek. Daarna had het verslag in ieder geval door beide partijen

geaccordeerd moeten worden en wel binnen een of twee dagen het hat gesprek. Verder merk ik op dat dit

verslag niet de volledige en eerlijke weergave van het gesprek is. ….’

De burgemeester reageert per email op maandag 1 maart:

Op vrijdag 26 februari 2010 heeft u mij een email gestuurd, met daarin enkele procedurele vragen en

verzoeken met betrekking tot de verkoop van een aan uw perceel grenzende groenstrook. In uw email

vraagt u om vertrouwelijke en discrete behandeling van uw verzoek. Echter als ik uw verzoek vertrouwelijk

en discreet moet beschouwen, dan kan ik niet tot een inhoudelijke behandeling komen. Als uw verzoek

echter als een regulier verzoek is bedoeld, dan zal ik hier op de gebruikelijke wijze mee omgaan. Graag

ontvang ik van u het bericht of het bedoeling is om de vertrouwelijkheid te handhaven of dat uw email als

een regulier verzoek moet worden beschouwd.’

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 24

Het betrokken raadslid verklaart over de email van de burgemeester:

“Ik ervaar de mail van de burgermeester als pure chantage. Ik lees erin dat alles wat ik nu nog zou doen,

openbaar zou worden. Ik ben altijd voorstander voor zoveel mogelijke openbaarheid, maar het moet wel

een juiste weergave zijn van een kwestie. Deze kwestie is gewoon om mij als persoon en als fractieleider in

een kwaad daglicht te stellen rond de verkiezingstijd.”

6.9 Herziene besluitenlijst

Op 24 februari wordt op de internetpagina van de gemeente de besluitenlijst van week 7 (college d.d. 16

februari) geplaatst. Het valt de griffier dat op deze besluitenlijst niet het besluit ten aanzien van het verzoek

van het betrokken raadslid voorkomt. Volgens de gemeentesecretaris merkt ook een andere wethouder op

dat de besluitenlijst incorrect is en meldt deze dit aan burgemeester, waarna de gemeentesecretaris

hiervan op de hoogt wordt gebracht. Diezelfde dag nog wordt - volgens de gemeentesecretaris - deze

omissie hersteld. Op donderdag 25 februari wordt vervolgens de juiste besluitenlijst naar de raadsleden

gestuurd. In deze besluitenlijst wordt onder punt 9 zowel het verzoek als ook het besluit van het college

vermeld.

De gemeentesecretaris zegt dat dit een ambtelijke fout is geweest, waarvoor hij ten principale

verantwoordelijk is. De medewerker van de afdeling DIV heeft volgens de gemeentesecretaris uit de

(eerdergenoemde) email van 16 februari opgemaakt dat het verzoek van het raadslid niet op de

besluitenlijst moest worden vermeld. Het besluit is daardoor abusievelijk niet vermeld op de eerste

besluitenlijst.

De griffier bevestigt dat het een menselijke fout was en dat er zeker geen sprake was van opzet.

Op de concept besluitenlijst die de pers op maandagavond 22 februari 2010 onder embargo heeft

ontvangen, is echter wel het besluit ten aanzien van het verzoek van het betrokken raadslid gemeld. De

pers wordt tevens op de persconferentie van 23 februari 2010 over het besluit geïnformeerd. De wethouder

zegt over dit informeren van de pers:

“Het verslag is door het college als passief openbaar geclassificeerd. Ik heb de pers wel gemeld dat er een

verslag ten grondslag ligt aan het besluit. Dit was op dinsdag. Op woensdag of donderdag stond het verslag

al op de website van Tubantia. Oud-wethouder [naam persoon] heeft een formeel WOB-verzoek ingediend.

Daarom is het op 25 februari ook naar de fractieleiders gestuurd.”

Gevraagd naar de reden waarom de wethouder tegenover de pers heeft gesproken over het

gespreksverslag, verklaart zij:

Dat er daarbij over het verslag werd gesproken lag voor de hand, omdat in het collegestuk verwezen wordt

naar het onderliggend verslag.”

Een journalist van de Tubantia, die verder niet wil meewerken aan het onderzoek, bevestigt dat het verslag

inderdaad op de website van de Tubantia heeft gestaan, maar dat dat is gedaan door een ‘lezer’ die het

verslag bij een reactie op een artikel integraal op de site heeft geplaatst.

De notulist van het verslag verklaart dat zij ook had opgemerkt dat het verslag op de site van de krant was

geplaatst. Volgens haar verscheen het verslag heel snel nadat het besluit op 23 februari was genomen op

de website van Tubantia. Een paar uur later was het verslag volgens haar al weer verwijderd.

Op 25 februari 2010 verschijnt er in de Tubantia een artikel over de kwestie met als kop ‘In de clinch om

grond’. In het stuk wordt onder meer het volgende opgemerkt:

‘Uit stukken die in het bezit zijn van deze krant blijkt dat er wel degelijk een verzoek ligt van de familie

[betrokken raadslid] voor de verkoop van het stuk grond door de gemeente, alleen wordt er door beide

partijen verschillend gedacht over de status van het verzoek en het gesprek dat daarover is gevoerd.’

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 25

Hoogstwaarschijnlijk is de krant op dat moment al in het bezit van de email die door het betrokken raadslid

op 18 februari 2010 naar de wethouder is gestuurd. Het betrokken raadslid zegt hierover:

“Op 24 of 25 februari is deze mail bij Tubantia terecht gekomen. Journalist de heer [naam journalist] heeft

mij telefonisch bevestigd dat de mail is doorgestuurd vanuit de gemeente. Voor de gemeente zou de mail

namelijk bewijzen dat ik een formeel verzoek zou hebben ingediend. Dit heeft de heer [naam journalist] mij

gezegd.”

6.10 WOB-verzoek

Het betrokken raadslid beklaagt zich erover dat de pers al was geïnformeerd, nog voordat hijzelf wist wat er

gaande was. Volgens hem waren heel veel mensen op de hoogte van het bestaan van het verslag:

“Het verslag dook overal op. De directeur van de muziekschool kreeg wel vier keer het verslag toegestuurd

uit verschillende bronnen. Het leek wel spam. De gemeente zegt dat er een WOB-verzoek is ingediend. Ik

heb een vermoeden dat dit is gebeurd door de heer [naam persoon], bestuurslid van de

harmonievereniging, of door de krant. Ik snap niet waarom het verzoek nog dezelfde dag is ingewilligd. Zo’n

verzoek kun je toch aanhouden, zeker gezien het politieke vuur wat er omheen hangt. En het verschil van

mening of het een informeel gesprek of een formeel verzoek was, was niet helder en bovendien was het

een gespreksverslag ver bezijden de waarheid.”

Uit onderzoek van BING blijkt niet precies hoe de gang van zaken is geweest rondom het naar buiten

brengen van het gespreksverslag, al dan niet naar aanleiding van gedane WOB – verzoeken. In ieder geval

heeft op 24 of 25 februari 2010 een oud wethouder per email een schriftelijk WOB-verzoek gestuurd naar

de betrokken ambtenaar.

In deze email schrijft de oud wethouder:

Als secretaris van de Stichting Kulturhus De Lutte verzoek ik u mij per ommegaande een kopie te sturen

van het verslag van het gesprek dat u c.q. de wethouder [naam wethouder] heeft gehad met [betrokken

raadslid] inzake uitbreiding van onze dorpsboerderij en zijn wens om een strook grond van dit erve bij zijn

eigendom te mogen aantrekken. Voor zover nodig doe ik hierbij een beroep op de bepalingen van de Wet

Openbaarheid van Bestuur. Een toezending per ommegaande stel ik op prijs mede i.v.m. de politieke

discussie a.s. maandagavond in de Vereniging alhier…

De betrokken ambtenaar zegt over het WOB-verzoek van de oud- wethouder:

“Ik ben met het verzoek naar de gemeentesecretaris gegaan. Hij vertelde mij dat het verslag al lang op

straat lag en dat het ook al door een ander raadslid was opgevraagd. Naar aanleiding daarvan is het ook

naar alle fractievoorzitters gestuurd. Ik kon het verslag gewoon naar de heer [oud-wethouder] versturen, zo

gaf de gemeentesecretaris aan.”

De betrokken ambtenaar verstuurt daarom in de ochtend van 26 februari het gespreksverslag per email

naar de oud- wethouder. De betrokken ambtenaar verklaart dat er bij WOB-verzoeken altijd een

belangenafweging plaatsvindt. Volgens hem wordt er in sommige gevallen voor gekozen de namen uit een

document te verwijderen. Waarom in dit geval is gekozen om het volledige verslag inclusief namen vrij te

geven, is bij de betrokken ambtenaar niet bekend. Voorts merkt hij op:

“Als mensen lezen wat er in het advies staat, dan gaan ze toch naar het verslag vragen. Het verslag was

onderdeel van het collegebesluit. Verzoekende burgers vinden het wel vaker vervelend dat hun stuk de

wereld in gaat, maar openbaarheid is voor ons een gegeven.”

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 26

De gemeentesecretaris denkt dat de wethouder tijdens de persconferentie over het verslag heeft

gesproken. Hij bevestigt dat het verslag in het kader van de WOB is opgevraagd door een oud-wethouder.

Aan dit verzoek is volgens hem tegemoet gekomen. De gemeentesecretaris weet niet precies op welke

datum dit is gebeurd. Wel meldt hij dat hij informatie had dat de fractievoorzitter van de VVD ook om het

verslag had gevraagd. Omdat het stuk volgens hem dus toch al bij meerdere mensen bekend was, heeft hij

de burgemeester geadviseerd het verslag toe te zenden aan alle fractievoorzitters zodat zij geen

informatieachterstand hadden. Daarop heeft de burgemeester op donderdag 25 februari besloten het

verslag ook aan alle fractievoorzitters van de raad te sturen.

De fractiesecretaris van de VVD verklaart dat hij het verslag niet heeft opgevraagd en/of heeft gekregen

voordat de andere fractievoorzitters het verslag kregen toegezonden.

De burgemeester verklaart over het verzoek in het kader van de WOB:

“Het verslag werd op een gegeven moment opgevraagd, waarschijnlijk door bewoners uit het dorp die

betrokken zijn bij Dorpsbelang. Het ging hier om een openbare aanvraag tot aankoop van grond. Het

gespreksverslag was een onderliggend stuk bij het collegebesluit. Een WOB verzoek mag tot twee weken

worden aangehouden. Wij verstrekken vrijwel altijd de informatie meteen.”

De burgemeester weet niet hoe de pers en het publiek wisten dat er een verslag ten grondslag lag aan het

collegebesluit. Volgens de burgemeester heeft een raadslid het verslag ook opgevraagd, nadat het al was

vrijgegeven. Hierop werd volgens hem besloten om het verslag naar alle fractievoorzitters te sturen.

De wethouder weet niet wie het WOB-verzoek heeft ingewilligd en welke toetsing er geweest is om het

WOB-verzoek in te willigen. Zij verklaart dat zij zich hier verder niet mee heeft beziggehouden.

Op 25 februari 2010 wordt door het college per email het gespreksverslag naar alle fractievoorzitters

gestuurd. In de begeleidende brief wordt onder meer gesteld:

‘…Dit verslag is door externe partijen in het kader van de WOB (Wet Openbaarheid van Bestuur)

opgevraagd. Omdat dit verslag nu ook bij externen bekend is en wij u als fractievoorzitters niet op

informatieachterstand willen zetten en wij willen voorkomen dat u onverhoopt met de inhoud van dit verslag

wordt geconfronteerd, zenden wij u dit bijgaand toe.’

Een aantal geïnterviewden sluit niet uit dat politieke belangen een rol hebben gespeeld om het WOBverzoek

vrijwel per ommegaande, en zonder het verder te anonimiseren, in te willigen.

Op 3 maart 2010, de dag van de verkiezingen, dient het betrokken raadslid vervolgens een zienswijze in op

het gemeentehuis.

6.11 Politiek klimaat

Volgens het betrokken raadslid is het politieke klimaat in de gemeente Losser de oorzaak van de gang van

zaken geweest. Tijdens gesprekken met BING is hij uitgebreid op het politieke klimaat in de gemeente

ingegaan. Dit, omdat hij van mening is dat dit relevant is voor de huidige situatie. Hij heeft daarbij een

aantal gebeurtenissen/ voorbeelden genoemd die invloed hebben gehad op de omgang met en de

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 27

beeldvorming over zijn partij.1 In zijn beleving wordt zijn partij willens en wetens door de gemeente

aangepakt.

Over zijn partij zegt hij het volgende tegen BING:

“Burgerforum is de luis in de pels van de gemeente Losser. Wij willen kwalijke zaken aan de haak stellen;

eerlijk en recht door zee. We staan bekend als ‘bijters’ die doorgaan op bepaalde zaken en dat valt niet

altijd goed. Zodra er nu iets met Burgerforum gebeurt, is er gelijk een hoop ellende. In mijn beleving hadden

we mijn hele situatie kunnen voorkomen.

(…)

Mensen zeggen vaak dat de toon de muziek maakt. Maar wij blijven juist rustig terwijl we ons vastbijten en

benoemen man en paard. We willen echt wat neerzetten en dat wordt als onfatsoenlijk bestempeld.”

Meerdere geïnterviewden hebben tegenover BING opmerkingen gemaakt over het gespannen politieke

klimaat binnen de gemeente Losser. Daarbij zijn termen als onprettig en broeierig genoemd. Er wordt een

beeld geschetst van de partij van het betrokken raadslid die vrij grof en kritisch te werk gaat en die zich

tijdens raadsvergaderingen niet altijd opbouwend opstelt. Het betrokken raadslid wordt door sommige

geïnterviewden omschreven als lastig; een ‘bijter’ en iemand waar een sfeer van intimidatie omheen hangt.

Deze geïnterviewden zijn van mening dat deze beeldvorming heeft meegespeeld bij de gang van zaken.

Het betrokken raadslid heeft zich, met de verkiezingen in zicht, niet afgevraagd of hij het risico wel zou

moeten nemen van het indienen van een dergelijk verzoek. Hij zegt hierover:

“Nee, dit heb ik nooit bedacht. Ik had 100 % vertrouwen in de nieuwe wethouders. Misschien is mevrouw

[betrokken wethouder] ook wel gebruikt? In januari 2010 zijn wij met onze fractie Burgerforum nog bij de

wethouders geweest. Hun boodschap was toen dat wij als partij niet alles zo formeel moesten insteken, met

brieven en e-mails. Wethouder [betrokken wethouder] zei dat er ook veel kan worden bereikt zonder deze

middelen. Zij vertelde dat we gewoon konden binnenlopen en dat zij open zouden staan voor ons. Dit

leverde ook een betere en soepele omgang op. Ik vond dit oprecht gemeend van haar. Ik had hierbij ook

niet een associatie van achterkamertjespolitiek, voor mij was het een informeel gesprek en geen officieel

verzoek”

De gemeentesecretaris merkt hierover op in het kader van wederhoor:

“De opmerking van de heer [betrokken raadslid] dat mevrouw [betrokken wethouder] misschien wel gebruikt

is, ervaar ik als stuitend. In de eerste plaats laat deze wethouder met zo’n enorme ervaring zich niet

gebruiken, in de tweede plaats werp ik deze opmerking verre van mij als het gaat om de ambtelijke

organisatie. Dit vanuit mijn rol als eindverantwoordelijke voor mijn medewerkers. Dit doen wij niet!”

Het betrokken raadslid is van mening dat er in deze situatie alleen maar verliezers zijn. Dit geldt voor

zichzelf, zijn familie, het Kulturhus en ook voor de wethouder en de verkiezingen.

1 Het betrokken raadslid heeft in het kader van wederhoor opgemerkt dat hij deze voorvallen, zoals door hem beschreven in het

interview, graag in het rapport wil ingevoegd hebben. BING heeft daaraan geen gehoor gegeven, omdat dit naar de mening van

BING buiten de reikwijdte van het onderzoek valt c.q. het geen andere inzichten oplevert voor de beantwoording van de

onderzoeksvragen.

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 28

“De wethouder heeft bestuurlijk heel veel ervaring. Voor haar is deze ophef en dit onderzoek ook niet goed.

Met haar ervaring had ze dit toch nooit zo ver mogen laten komen, ze had me ook bij begin van het gesprek

kunnen aangeven dat dit op deze wijze niet kon.”

(…)

“De partij Burgerforum heeft schade, ik persoonlijk heb grote schade maar ook het Kulturhus. In mijn

beleving wil de gemeente het Kulturhus helemaal niet realiseren, omdat er weinig geld is. Nu kunnen zij de

problemen met het Kulturhus de familie [betrokken raadslid] in de schoenen schuiven vanwege een stukje

groen, maar volgens mij willen zij de € 400.000 gewoon niet uitgeven.”

6.12 Reflectie betrokkenen

In interviews met betrokken wordt door een aantal geïnterviewden erkend dat er wellicht een aantal zaken

anders hadden kunnen worden opgepakt.

De betrokken ambtenaar verklaart onder meer:

“Verbeterpunten zijn er altijd. Maar in principe hebben we dit mondelinge verzoek van een raadslid aan een

ambtenaar behandeld zoals dat moet. Het is hier ook gewoon dat een wethouder zelf meepraat. Dat er een

verslag wordt gemaakt, vind ik ook niet zo gek. En dat het collegebesluit inclusief verslag openbaar is, daar

sta ik ook achter. Daarna zijn er een aantal dingen misgegaan. Zo stond het besluit niet op de besluitenlijst.

Dit was klungeligheid en in deze zaak superonhandig. Tevens staat op mijn advies niet de goede datum. Er

staat 10 januari op in plaats van 10 februari. Dit soort zaken krijgt achteraf ineens een andere betekenis.”

De gemeentesecretaris is van mening dat het verslag wel ter kennisname aan het betrokken raadslid

gestuurd had kunnen worden:

“Het verslag is eenzijdig door ons opgemaakt. Dat kan omdat het verzoek mondeling werd gedaan. Het

verslag had niet ter goedkeuring aan de heer [betrokken raadslid] hoeven worden voorgelegd. Wel zou het

sierlijk zijn geweest, als het verslag ter kennisname aan hem zou zijn toegestuurd. Dit in het kader van

transparantie en netheid van de overheid.”

(…)

”Het proces rond het verslag had netter moeten gaan. De heer [betrokken raadslid] had dit na de 16e

moeten ontvangen. Ik ben niet van mening dat hij dit moest accorderen. Het geruchtencircuit in De Lutte

heeft het proces onder druk gezet. Kwaad gedacht zou je zeggen dat er een politiek spelletje is gespeeld,

maar dat is niet de intentie geweest.”

De gemeentesecretaris is wel van mening dat het betrokken raadslid wel degelijk een formeel verzoek heeft

ingediend. Zo zegt hij:

“De heer [betrokken raadslid] heeft na het gesprek van 5 februari een mail aan de wethouder gestuurd om

te vragen hoe het ermee stond. Dit toont aan dat het ging om een formeel verzoek van de heer [betrokken

raadslid]. De heer [betrokken raadslid] wist dat het college een formeel besluit zou nemen op zijn verzoek.“

Op de vraag of, gezien alle omstandigheden, het juist niet verstandig was geweest heel zorgvuldig met het

verslag om te gaan, verklaart de gemeentesecretaris:

“Het college heeft gekozen voor openheid, juist gezien alles wat er in het verleden is gebeurd. We wilden

breken met de smoezeligheid en transparant zijn. Wethouder [naam wethouder] had ook helemaal geen

belang om de heer [betrokken raadslid] te benadelen, want zij neemt over een paar weken definitief

afscheid.

(…)

Alles overwegende, denk ik dat ik nog steeds vind dat de keuze voor transparantie zwaar moet wegen. Laat

dit een doorbraak zijn, want zo kan het niet langer. We hebben volgens mij in formeel juridische zin goed

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 29

gehandeld, maar het gaat natuurlijk ook om ethiek. We hebben het zo gedaan, in het belang van de

gemeente Losser.”

De burgemeester verklaart terugkijkend als volgt:

“Hij heeft een mondeling verzoek gedaan. Dit hebben we formeel opgepakt. Achteraf gezien hadden we het

gespreksverslag kunnen laten accorderen en vastleggen. Wij waren er echter van overtuigd dat dit geen

probleem was. Het is goed dat het verslag naar buiten is gebracht. Het geeft openbaar inzicht in hoe dit

raadslid opereert. Hij is nog altijd overtuigd dat er niets mis is met zijn verzoek.”

De burgemeester is van mening dat het betrokken raadslid als burger wel bezwaar kan maken.

“Als je als politicus vóór het Kulturhus stemt, kun je als burger wel bezwaar maken. Dit dien je dan wel

schriftelijk te doen.”

Op de vraag of er mogelijk een ‘politiek spel’ is gespeeld tussen de wethouder en het betrokken raadslid,

mede gezien de eerdergenoemde email van het PvdA raadslid, antwoordt hij:

“Nee, deze wethouder is zeer gerenommeerd en betrouwbaar. Ze is zeven jaar gedeputeerde van de

Provincie Overijssel geweest. Zij zou daar nooit aan meedoen.”

De wethouder zelf zegt achteraf het volgende over de gang van zaken:

“Ik had in het verslag de afspraken nog beter moeten markeren. Het verslag heeft nu ook wel toegevoegde

waarde, omdat eruit blijkt dat de heer [betrokken raadslid] weloverwogen zijn verzoek heeft gedaan. Wij

voelden ons onder druk gezet.”

Ook verklaart ze dat niet akkoord had moeten gaan met zijn mondelinge verzoek:

De heer [betrokken raadslid] wilde een gemotiveerd antwoord. Voor mij is het dan helder dat ik een verslag

moet maken van het gesprek om mee te nemen naar het college. Ik heb verondersteld dat hij dit snapte.”

De wethouder zegt voorts dat het vertrouwen tussen haar en het betrokken raadslid dun is.

Het was goed dat ik een zoektocht in het verleden heb gedaan. De heer [betrokken raadslid] bevestigde

dat de plannen toen naar zijn wensen zijn aangepast. En nu is er ontheffing nodig voor de bouw en komt hij

met dit verzoek. Ik was op zoek naar een gevoel dat je samen iets voor het algemeen belang doet, de bouw

van het Kulturhus. Dit mis ik bij hem. Dat kleurt toch je beeld.”

Op de vraag hoe het betrokken raadslid zijn verzoek mogelijk anders kenbaar had moeten/kunnen maken,

antwoordt zij desgevraagd:

“Hij had zijn verzoek niet moeten koppelen aan een eventueel bezwaar. Hij heeft dit recht als burger wel,

maar dat had hij niet moeten gebruiken om iets voor elkaar te krijgen. Dat accepteer ik niet van een

raadslid. Dat kwam op mij over als een dreigement, als chantage.”

Op de vraag of het betrokken zich gerealiseerd heeft dat zijn verzoek is ervaren als een dreigement,

verklaart het betrokken raadslid desgevraagd:

“Ik weet dat ik, naarmate een gesprek spannender wordt, heel rustig en kalm blijf. Dit ervaren anderen

soms als vervelend. Ik heb juist heel rustig aangegeven dat ik ook wel over minder grond wilde praten.

Daarom kwam ik op gesprek; om te polsen over de mogelijkheden. In een schriftelijk verzoek is zoiets niet

aan te passen. De wethouder weet dit, want tijdens ons telefoongesprek van 23 februari hebben wij nog

gekeken naar opties voor het verwerven van minder grond. Zij heeft mijn verzoek echt wel begrepen.

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 30

Ze zei tijdens dat telefoongesprek, dat ook aankoop van het bosperceeltje niet bespreekbaar was. Ik begrijp

niet waarom een wethouder met zo veel ervaring zo erg zou moeten schrikken van mijn voorstel.”

Op de vraag of hij het wellicht anders had kunnen aanpakken, antwoordt hij desgevraagd dat hij de

gewenste regeling omtrent planschade anders had moeten verwoorden. Hij verklaart dat hij de woorden

‘om niet’ niet had moeten gebruiken. Tevens zegt hij nooit meer alleen naar een wethouder te zullen gaan,

noch voor een informeel dan wel voor een formeel gesprek. Betrokken raadslid:

“Achteraf is het gemakkelijk het lotto formulier van gisteren vandaag goed in te vullen.”

6.13 Algemene reactie in kader van wederhoor

In het kader van wederhoor heeft het betrokken raadslid, naast een aantal specifieke opmerkingen, ook een

aantal algemene opmerkingen gemaakt ten aanzien van de kwestie. Deze wordt hieronder integraal

weergegeven.

Na het lezen van de rapportage vraag ik me af: waar gaat het over? Als mensen op een normale manier

met elkaar omgaan en het beste met elkaar voorhebben, was de hele situatie nooit op deze manier

geëscaleerd. Dit betreur ik ten zeerste. Met elkaar zouden we toch hetzelfde doel moeten nastreven: een

mooie, leefbare en gezonde gemeente voor de burgers van de gemeente Losser.

Burgerforum is een aantal jaren geleden ontstaan door grote onvrede in de gemeente Losser. Wij willen

opkomen voor de rechten van onze burgers en misstanden onder de aandacht brengen. Afgelopen periode

hebben we dan ook regelmatig de vinger op de zere plek gelegd. Nu overkomt mij iets persoonlijk als

burger, waar we juist als burgerforum voor proberen te waken. Ik heb nu aan den lijve mogen ondervinden

hoe ziek en machteloos je hierdoor wordt. Als je van iets beschuldigd wordt wat absoluut ver beneden de

waarheid is.

Eerlijkheid en recht door zee staan bij mij hoog in het vaandel. En hier is iets gebeurt dat ver beneden deze

normen staat.

Chantage/dreigement

In een aantal verklaringen van betrokken wethouder wordt er gesproken over chantage/dreigement. Dit is

niet terecht. Zie een aantal van haar verklaringen. Ik heb in een informeel gesprek een zakelijk voorstel

gedaan om een stuk grond te kopen en hierbij aangegeven dat het verrekend kon worden met de eventuele

planschade. Uit het rapport blijkt dat er al een onderzoek naar planschade is geweest. Hiervan was ik niet

van op de hoogte. Ook wordt er aangegeven dat het indienen van een zienswijze c.q. bezwaar wordt

opgevat als chantage/dreigement. Maar het is toch een recht van iedere burger om een zienswijze c.q.

bezwaar te mogen indienen?

Suggestie

In vele verklaringen door geïnterviewden wordt nogal het een en ander gesuggereerd. Bijvoorbeeld wordt er

telkens over het kopen van 300 meter grond gesproken. Doch dat kan ook een bosstrook van enkele

tientallen meters zijn.

Gemeentewet (art15)

Ik betreur het dat de burgemeester, wethouder, gemeentesecretaris en ambtenaar in het allereerste

beginsel mij hiervoor niet gewaarschuwd hebben. Denk hierbij aan het onderhoud met de ambtenaar van

28 januari , die wel onmiddellijk dit onderhoud heeft doorgekoppeld aan de gemeentesecretaris. Ik wil nog

benadrukken dat ik voor het onderhoud van 5 februari telefonisch ben uitgenodigd door de secretaresse

van de betrokken wethouder. Op dit moment hadden voornoemde functionarissen deze kwestie al moeten

kortsluiten.

Als deze betrokkenen het beste met me voor zouden hebben, was dit niet gebeurd.

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 31

Politiek gewin.

Uit het rapport komt duidelijk naar voren dat het hele incident al begint op 7 januari. Terwijl het gesprek

naar aanleiding van de uitnodiging door de wethouder pas op 5 februari plaats vindt. De manier waarop

deze kwestie is opgepakt door de bestuurders, is naar mijn mening alleen gebeurd om politiek gewin en

rancune naar mij en naar mijn partij Burgerforum.

Dit gevoel wordt bevestigd door het tijdstip van handelen (vlak voor de verkiezingen).

 

 

 

 

7. Beoordeling

Bij aanvang van het onderzoek zijn er twee onderzoeksvragen geformuleerd:

1. Is het verzoek van het betrokken raadslid door de gemeente Losser, i.c. het college van B&W op

adequate wijze in behandeling genomen en afgehandeld?

2. Is door betrokken raadslid in onderhavige casus gehandeld in strijd met wet- en regelgeving en

relevante integriteitbepalingen (waaronder de gedragscode van de gemeente Losser)?

Eerste onderzoeksvraag

Ten aanzien van de eerste onderzoeksvraag merken wij het volgende op.

Naar onze mening is het verzoek van het betrokken raadslid door de gemeente Losser op adequate wijze in

behandeling genomen, maar had de afhandeling van het verzoek zorgvuldiger plaats moeten vinden. De

gemeente heeft naar onze mening niet voldoende zorgvuldig gehandeld door te bevorderen dat een

gespreksverslag, dat niet aan betrokken raadslid was voorgelegd, openbaar werd gemaakt.

Het ‘verzoek’ van het betrokken raadslid is bij de gemeente in eerste instantie in behandeling genomen

door een ambtenaar die zich bezighoudt met het betreffende dossier. Deze ambtenaar heeft het ‘verzoek’

direct neergelegd bij gemeentesecretaris (die op zijn beurt het college heeft ingelicht) en heeft

medegedeeld aan het betrokken raadslid dat hij een en ander zou terugkoppelen aan de wethouder. Dat er

sprake is geweest van een daadwerkelijk verzoek - zoals word gesteld door de gemeente, maar betwist

door het betrokken raadslid - kan naar onze mening onder meer worden afgeleid uit de email die het

betrokken raadslid op 18 februari 2010 aan de betrokken wethouder heeft gestuurd. In deze email vraagt hij

of er al iets bekend is over het verzoek inzake het Kulturhus. Daarnaast hebben vrijwel alle geïnterviewden

verklaard dat het naar hun mening ging om een verzoek van het betrokken raadslid en niet om een

informatief/informeel polsen, zoals gesteld door het betrokken raadslid zelf (en waarover meer bij de

beantwoording van de tweede onderzoeksvraag). Het betrokken raadslid kan zijn bewering inzake het

informatief polsen niet onderbouwen met enig bewijs. Naar onze mening is het daarom in ieder geval te

billijken dat de vraag van het betrokken raadslid door gemeente is opgevat als een verzoek en op deze

wijze in behandeling is genomen.

Door het college is besloten om het betrokken raadslid uit te nodigen voor een gesprek met de wethouder.

Bij dat gesprek is een ambtenaar aanwezig geweest. Deze ambtenaar heeft een verslag gemaakt van het

gesprek. Volgens deze ambtenaar is het raadslid geïnformeerd over het feit dat er een verslag van het

gesprek gemaakt zou worden. Dit wordt betwist door het betrokken raadslid. Het betrokken raadslid wist

wel dat een ambtenaar aantekeningen maakte van het gesprek.

Het verslag is niet voorgelegd aan het betrokken raadslid, die de juistheid van de inhoud van het verslag

betwist. Zowel de ambtenaar als de wethouder stellen dat het verslag inhoudelijk juist is. Naar onze mening

is er geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van het verslag.

Naar onze mening was het wel verstandig geweest c.q. had het van zorgvuldigheid getuigd als het verslag

was voorgelegd aan het betrokken raadslid. Juist vanwege de gevoeligheid van het verzoek, gezien de

betrokkenheid van een raadslid, en de twijfels die bij het college reeds bestonden over de ‘inkleding’ van

het verzoek door het betrokken raadslid, was dat naar onze mening verstandig geweest. Hiertoe bestaat

weliswaar geen verplichting, maar het college had daarmee kunnen voorkomen dat later discussie over de

inhoud zou ontstaan. Zeker gezien het feit dat het verslag niet een woordelijke weergave van het gesprek

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 32

betrof en dat de mogelijkheid bestond dat het verslag later in het kader van de WOB nog zou kunnen

worden opgevraagd. Daarmee hield het college immers zelf ook al rekening, nu er in het college - blijkens

de verklaring van de wethouder – was besloten om het verslag als passief openbaar te classificeren.

Na het gesprek van 5 februari 2010 is er een collegevoorstel opgesteld en heeft het college op 16 februari

2010 een besluit hierover genomen. Door betrokken wethouder is tijdens het gesprek op 5 februari 2010

met het betrokken raadslid opgemerkt dat zij het verzoek van het raadslid zou bespreken binnen het

college. Dit heeft zij later in een email (d.d. 18 februari 2010) bevestigd. Dit wordt ook niet weersproken

door het betrokken raadslid, maar hij geeft aan verrast te zijn door het feit dat er vervolgens een ‘formeel’

collegebesluit op zijn verzoek is genomen.

Naar onze mening is het te billijken dat op deze wijze besluitvorming heeft plaatsgevonden door het college

en heeft het college daarmee zorgvuldig gehandeld. Zeker gezien de wettelijke bepalingen omtrent het

verwerven van onroerend goed door een raadslid van de gemeente, zoals vastgelegd in artikel 15 van de

Gemeentewet en de gevoeligheid van de kwestie.

Naar onze mening had het college het betrokken raadslid echter wel in een eerder stadium kunnen inlichten

over het genomen (of voorgenomen) besluit. Daarvoor heeft het college ruimschoots de gelegenheid

gehad, maar men heeft bewust gewacht tot het moment dat het besluit formeel was vastgesteld. Op 18

februari 2010 stuurt de wethouder nog een email aan het betrokken raadslid (in reactie op een email van

zijn kant), waarin ze stelt dat het college al een bespreking over het onderwerp heeft gevoerd en dat ze het

de week daarna zullen afronden. Op dat moment heeft het college echter al een besluit genomen, wat

alleen nog op 23e definitief moet worden vastgesteld. De wethouder had, naar onze mening, op dat moment

het betrokken raadslid kunnen inlichten over het voorgenomen besluit. Het college c.q. de wethouder heeft

daartoe kennelijk geen aanleiding gezien. Formeel gezien was het college daartoe ook niet verplicht.

Niemand zou echter in zijn belangen zijn geschaad als het betrokken raadslid eerder dan de 23e was

geïnformeerd over het besluit en het bestaan van een verslag. Wellicht had daarmee zelfs een escalatie

van de affaire voorkomen kunnen worden.

De wethouder heeft, naar eigen zeggen, tijdens een persconferentie op 23 februari 2010 de pers

geïnformeerd over het bestaan van het verslag. Dit, terwijl het college had besloten dat het stuk passief

openbaar was. Een actieve openbaarmaking lag dus niet in de rede en diende, naar onze mening, verder

ook geen belang. Te meer het gespreksverslag niet was voorgelegd aan het betrokken raadslid en het

betrokken raadslid op dat moment nog niet op de hoogte was van het bestaan van een dergelijk verslag.

De Tubantia was op 24 februari 2010 vermoedelijk al in het bezit van de email van het betrokken raadslid

(d.d. 18 februari 2010) aan de wethouder. Voor zover bekend, is deze email niet opgevraagd in het kader

van de WOB. Uit ons onderzoek is niet duidelijk geworden hoe deze email bij de krant terecht is gekomen.

Uit ons onderzoek is tevens niet duidelijk geworden wie nu als eerste een WOB-verzoek ten aanzien van

het gespreksverslag heeft ingediend. Hierover zijn verschillende verklaringen afgelegd. Dat het college een

WOB-verzoek van een derde met betrekking tot het gespreksverslag vrijwel per ommegaande heeft

ingewilligd, is niet per definitie in strijd met enige wettelijke bepaling of voorschrift. Wel kan worden

afgevraagd wiens belang werd gediend met deze snelle inwilliging van het WOB-verzoek. Het belang van

het betrokken raadslid was, naar onze mening, hier zeker niet mee gediend. Op grond van artikel 10, lid 2

sub G van de Wet openbaarheid van bestuur en bepalingen uit de Awb, had de gemeente c.q. het college,

naar onze mening, ook kunnen volstaan met het in eerste instantie alleen openbaar maken van het besluit

en het onderliggende collegevoorstel. Het gespreksverslag had de gemeente (eventueel), na zorgvuldige

afweging, altijd nog in een later stadium kunnen verstrekken.

Volgens het betrokken raadslid is de wijze waarop de kwestie door bestuurders is gepakt, gebeurd uit

politiek gewin en rancune naar hem en zijn partij. De email die op 10 februari 2010 is verstuurd door een

raadslid aan de betrokken wethouder, waarin wordt opgemerkt dat men hier een kans ziet om betrokken

raadslid ‘eens flink op zijn nummer te zetten’, kan volgens hem in dat licht worden bezien.

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 33

Tweede onderzoeksvraag

Ten aanzien van de tweede onderzoeksvraag merken wij het volgende op.

Het betrokken raadslid had naar onze mening zijn verzoek c.q. zijn intenties zorgvuldiger moeten

communiceren c.q. duidelijker kenbaar moeten maken richting gemeente, zodat hierover geen

misverstanden hadden kunnen ontstaan.

Het betrokken raadslid heeft naar eigen zeggen duidelijk verbaal gecommuniceerd dat wat hem betreft het

verzoek / de gesprekken een informeel karakter zouden moeten hebben. Alle andere betrokkenen hebben

het ‘verzoek’ van het betrokken raadslid echter opgevat als een formeel verzoek. Geen enkele

geïnterviewde heeft ervaren dat er mogelijk sprake was van een informeel polsen van de mogelijkheden

door het betrokken raadslid. Bovendien is door geen van de betrokken ambtenaren en bestuurders ervaren

dat er mogelijk onderhandelingsruimte bestond over de te verwerven hoeveelheid grond. Door niet

schriftelijk over het ‘verzoek’ te hebben willen communiceren, kan het betrokken raadslid naar onze mening

niet stellen/onderbouwen dat hij wel degelijk informeel wilde polsen en dat er wat hem betreft wel degelijk

onderhandelingsruimte bestond.

Daarnaast hebben de betrokken ambtenaren en bestuurders allen de indruk gekregen dat het betrokken

raadslid dreigde met het indienen van een bezwaar/zienswijze, als zijn verzoek niet kon worden ingewilligd

en hebben zij dit ervaren als een pressiemiddel van het betrokken raadslid. Door de vrouw van het

betrokken raadslid is daadwerkelijk een zienswijze ingediend. Daarmee is, naar onze mening, op z’n minst

de indruk gewekt dat er geen sprake is geweest van een loos ‘dreigement’.

Het betrokken raadslid had, naar onze mening, zijn verzoek c.q. zijn intenties duidelijker/zorgvuldiger

moeten formuleren en/of hij had moeten kiezen voor een schriftelijke onderbouwing van zijn verzoek. Het

betrokken raadslid had zich moeten realiseren dat, vanuit zijn hoedanigheid als raadslid (en

fractievoorzitter), zijn verzoek als politiek gevoelig zou kunnen worden ervaren. Naar onze mening had hij

zijn verzoek, al dan niet bewust, niet moeten koppelen aan het indienen van een zienswijze of bezwaar.

Voorts merken wij op dat het betrokken raadslid zich als raadslid naar onze mening niet had mogen

bemoeien met de politieke besluitvorming – voorbereiding en stemming - omtrent de uitbreiding van Erve

Boerrigter. Het betrokken raadslid is immers persoonlijk belanghebbende bij dit plan, omdat de

uitbreidingplannen (nadelige) gevolgen hebben voor zijn privé-woonsituatie. Dit volgt ook uit de ingediende

zienswijze.

Op grond van artikel 28 van de Gemeentewet en artikel 2.4 van de Awb, had het betrokken raadslid zich

daarom dienen te onthouden van deelname aan de besluitvorming omtrent de uitbreidingsplannen. Dat zijn

stem niet doorslaggevend is geweest in de besluitvorming in december 2009 (de gemeenteraad was

immers unaniem voorstander), doet daaraan niets af. Opmerkelijk is dat hij hierop kennelijk niet is

aangesproken door collega bestuurders en de griffie.

Voorts merken wij nog op dat ook raadsleden te allen tijde het recht hebben om als privépersoon een

zienswijze in te dienen. Het betrokken raadslid moet zich in onderhavige casus wel realiseren dat hij met

het indienen van een zienswijze als privépersoon een plan in gevaar brengt, waarvan hij zich als raadslid

een voorstander heeft getoond. Dit temeer nu in het verleden de plannen voor de uitbreiding van Erve

Boerrigter al eens, in goed onderling overleg met de stichting Kulturhus, waren aangepast aan de wensen

van de familie van het raadslid. Bij derden kan dit de schijn van belangenverstrengeling opwekken, omdat

niet voor iedereen duidelijk is op welk moment het betrokken raadslid in welke hoedanigheid handelt en

vanuit welk belang hij handelt; als raadslid of als privépersoon.

Op basis van bovengenoemde concluderen wij dat het betrokken raadslid door zijn betrokkenheid bij de

besluitvorming in de gemeenteraad, naar onze mening, heeft gehandeld op gespannen voet met artikel 28

van de Gemeentewet. Bij het indienen van zijn verzoek heeft hij als privépersoon, naar onze mening,

onvoldoende zorgvuldigheid betracht en heeft hij daarmee niet iedere schijn van belangenverstrengeling

weten te vermijden. Dit staat naar onze mening op gespannen voet met het kernbegrip onafhankelijkheid,

zoals verwoord in de gedragscode.

Onderzoek gemeente Losser | 18 mei 2010 | 34

 

Overweging

Gezien het feit dat beide partijen, zowel de gemeente als het betrokken raadslid, een en ander te verwijten

valt, geven wij u in overweging om beide partijen met elkaar in gesprek te laten gaan om een verdere

escalatie van de kwestie te voorkomen.

 

8. Tot slot

Wij vertrouwen er op hiermede aan de opdracht te hebben voldaan. Ons rapport mag uitsluitend

aangewend worden ten dienste van de doelstelling van het onderzoek.

Hoogachtend,

P. Werkman

Directeur


Share our website