Publicaties

2.2.2012: Inkomensgrenzen WMO (VNG)


Brief aan de leden

T.a.v. het college en de raad

informatiecentrum tel.

(070) 373 8020

uw kenmerk bijlage(n)

1

betreft

Inkomensgrenzen in de Wmo

ons kenmerk

BAOZW/U201200099

datum

31 januari 2012

Samenvatting

De vraag of gemeenten inkomensgrenzen in de Wmo mogen hanteren is al vanaf de

totstandkoming van de Wmo actueel. Doordat er over dit onderdeel de afgelopen jaren weinig

jurisprudentie is gekomen, kwam de discussie tot voor kort niet verder.

In het afgelopen jaar hebben veel gemeenten hun Wmo verordening aangepast volgens de

principes van de Kanteling. Steeds meer gemeenten die de aanvraag beoordelen van een burger

met een beperking die problemen ondervindt met zijn zelfredzaamheid en participatie, willen bij de

oplossing ook diens eigen (financiële) verantwoordelijkheid en eigen sociale steunsysteem

betrekken.

Op 19 december 2011 en op 19 januari 2012 heeft de Centrale Raad van Beroep twee uitspraken

gedaan in de casus van de gemeente Edam-Volendam (LJN:BU7263) en in de casus van de

gemeente Dongen (LJN BV1309). De uitspraak van 19 december betrof een zaak waarbij de

gemeente een scootmobiel in bruikleen had toegekend en daarbij een besparingsbijdrage aan de

aanvrager had opgelegd. De Centrale Raad heeft uitgesproken dat artikel 4 lid 2 van de Wmo

geen ruimte biedt om naast of in plaats van de eigen bijdrage-regeling van artikel 15 nog andere

financiële voorwaarden zoals een besparingsbijdrage op te leggen.

Lbr. 12/010

Onderwerp Inkomensgrenzen in de Wmo Datum 31 januari 2012 02

De uitspraak van 19 januari 2012 ging over de zaak van de gemeente Dongen die had besloten

een inkomensgrens voor de regiotaxi te gaan hanteren en daarom de vervoersvoorziening van

een gebruiker introk omdat zijn inkomen hoger was dan de inkomensgrens. De Centrale Raad

heeft geconcludeerd dat er bij de verstrekking van een vervoersvoorziening in natura, naast de op

artikel 15 gebaseerde eigen bijdrage geen ruimte is voor een inkomensgrens.

Wat betekenen deze uitspraken van de hoogste rechter voor het Wmo beleid van gemeenten?

Mogen gemeenten nu wel of niet een inkomensgrens voor individuele Wmo voorzieningen

hanteren? Op verzoek van de leden wijdt de VNG een aparte ledenbrief aan de consequenties

van de uitspraken van de Centrale Raad voor het Wmo beleid van gemeenten.

Aan de leden

informatiecentrum tel.

(070) 373 8020

uw kenmerk bijlage(n)

1

betreft

Inkomensgrenzen in de Wmo

ons kenmerk

BAOZW/U201200099

datum

31 januari 2012

Geacht college en gemeenteraad,

De vraag of gemeenten inkomensgrenzen in de Wmo mogen hanteren is al vanaf de

totstandkoming van de Wmo actueel. De juridische vraag achter deze discussie is de interpretatie

van de betekenis van artikel 4 lid 2 van de Wmo mede in relatie tot de artikelen 15-18 van de

Wmo over de eigen bijdrage-regeling.

Artikel 4 lid 2 luidt als volgt: 'Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van

burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de

aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van

leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in

maatregelen te voorzien”. Doordat er over dit onderdeel de afgelopen jaren weinig jurisprudentie is

gekomen, kwam de discussie tot voor kort niet verder.

In het afgelopen jaar hebben veel gemeenten hun Wmo verordening aangepast volgens de

principes van de Kanteling. Steeds meer gemeenten die de aanvraag beoordelen van een burger

met een beperking die problemen ondervindt met zijn zelfredzaamheid en participatie, willen bij de

oplossing ook diens eigen (financiële) verantwoordelijkheid en eigen sociale steunsysteem

betrekken.

Een groeiend aantal gemeenten besloot voor de HH en voor bepaalde vervoersvoorzieningen

zoals scootmobielen inkomensgrenzen te hanteren. Een inkomensgrens houdt in dat een

aanvrager met een inkomen boven het door de gemeente bepaalde norminkomen geen recht

heeft op deze Wmo voorzieningen dan wel de kosten daarvan zelf moet dragen.

Recent heeft de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep twee uitspraken gedaan

die betrekking hebben op de discussie over de inkomensgrenzen.

Lbr. 12/010

onderwerp Inkomensgrenzen in de Wmo datum 31 januari 2012 02/08

De eerste is gedaan op 19 december 2011 in de casus van de gemeente Edam-Volendam

(LJN:BU7263). Het betrof hier een zaak waarbij de gemeente een scootmobiel in bruikleen had

toegekend en daarbij een besparingsbijdrage aan de aanvrager had opgelegd. Een

besparingsbijdrage is een bijdrage die wordt gevraagd omdat de toegekende voorziening een

algemeen gebruikelijke voorziening vervangt die normaliter uit eigen inkomsten wordt betaald.

De Centrale Raad heeft uitgesproken dat artikel 4 lid 2 van de Wmo geen ruimte biedt om naast of

in plaats van de eigen bijdrage-regeling van artikel 15 nog andere financiële voorwaarden zoals

een besparingsbijdrage op te leggen.

De tweede uitspraak is gedaan op 19 januari 2012 in de casus van de gemeente Dongen. De

gemeente Dongen had besloten een inkomensgrens voor de regiotaxi te gaan hanteren en had

bestaande gebruikers van de regiotaxi toestemming gevraagd om inkomensgegevens bij de

Belastingdienst op te vragen. Op grond van die gegevens had de gemeente geconcludeerd dat

het inkomen van een gebruiker hoger was dan de inkomensgrens en had de vervoersvoorziening

beëindigd. De Centrale Raad heeft geconcludeerd dat er bij de verstrekking van een

vervoersvoorziening in natura, naast de op artikel 15 van de Wmo gebaseerde eigen bijdrage,

geen ruimte is voor een inkomensgrens.

Wat betekenen deze uitspraken van de hoogste rechter voor het Wmo beleid van gemeenten?

Maken deze uitspraken werkelijk een eind aan alle juridische discussies over de betekenis van

artikel 4 lid 2 van de Wmo? En mogen gemeenten nu wel of niet een inkomensgrens voor

individuele Wmo voorzieningen hanteren?

Op verzoek van de leden wijdt de VNG een aparte ledenbrief aan de consequenties van de

uitspraken van de Centrale Raad voor het Wmo beleid van gemeenten.

De reikwijdte van de uitspraken van de Centrale Raad

In de zaak van de gemeente Edam Volendam ging het niet om de vraag of de gemeente een Wmo

voorziening mag weigeren op grond van het inkomen van de aanvrager. De gemeente Edam

Volendam had al een Wmo voorziening verstrekt en de vraag was of de gemeente in plaats van

een eigen bijdrage een besparingsbijdrage mocht vragen. De rechter is daarover duidelijk: dat

mag niet.

De Centrale Raad baseert zijn uitspraak vooral op de interpretatie van de wetsgeschiedenis.

Lastig daarbij is dat artikel 4 bij amendement in de Wmo terecht is gekomen. Daarom is er geen

uitgebreide uitleg in de Memorie van Toelichting beschikbaar. Daarbij is een definitie van

zelfredzaamheid gegeven die ruimte laat voor de stelling dat iemand die voldoende geld (inkomen)

heeft en verstandelijke vermogens om zelf de nodige voorzieningen te regelen, niet in aanmerking

komt voor een individuele voorziening. Immers: hij is zelfredzaam!

Het parlementaire debat over dit amendement maakt duidelijk dat geen rekening mag worden

gehouden met het vermogen (daarom is ook het woord ‘capaciteit' gebruikt). Ook wordt betoogd

dat gemeenten geen inkomenspolitiek mogen voeren, wat dat dan ook moge betekenen. Met het

inkomen mag wel rekening worden gehouden.

onderwerp Inkomensgrenzen in de Wmo datum 31 januari 2012 03/08

De uitspraak gaf nog geen duidelijk antwoord op de vraag of gemeenten een inkomensgrens

mogen hanteren. Ook bleef de vraag onbeantwoord of de Wmo de gemeente verder geen enkele

ruimte laat om bij de beoordeling van een Wmo aanvraag voor een voorziening rekening te

houden met het inkomen van de aanvrager.

In de zaak van de gemeente Dongen gaat de Centrale Raad een stap verder: de gemeente mag

naast de eigen bijdrage geen inkomensgrens hanteren, zelfs niet voor het collectief vervoer. De

inkomensgrens voor het collectief vervoer was onder de Wvg wel geaccepteerd.

Individueel onderzoek en individueel maatwerk gaan boven alles

Het verbod op een inkomensgrens voor het collectief vervoer komt niet helemaal uit de lucht

vallen. In december 2010 deed de Centrale Raad een belangrijke uitspraak over het hanteren van

een inkomensgrens in de Wmo in de zaak tegen de gemeente Ooststellingerwerf (LJN: B01038

09/2401 WMO). Deze gemeente had de aanvraag van een bejaarde man voor het collectief

vervoer afgewezen op grond van diens inkomen en dit gemotiveerd met het algemeen gebruikelijk

zijn van een auto bij een bepaalde inkomensgrens. De man had echter aangegeven vanwege zijn

leeftijd geen auto meer te kunnen rijden.

De rechter stelde dat de gemeente de aanvraag niet op grond van de inkomensgrens alleen had

mogen afwijzen. Ook had de gemeente ten onrechte het collectief vervoer gelijk gesteld met het

bezit van een auto. De gemeente had een individueel onderzoek naar de situatie van de

aanvrager moeten doen en op die basis tot een passende oplossing moeten komen.

Sinds die uitspraak is het duidelijk dat de gemeente bij iedere aanvraag altijd een individueel

onderzoek moet doen naar de situatie van de aanvrager en op basis daarvan een individuele

afweging moet maken. Een algemene inkomensgrens hanteren voor individuele voorzieningen

past per definitie niet bij de opdracht maatwerk te leveren.

Het begrip algemeen gebruikelijk

Veel gemeenten hebben in hun verordening opgenomen dat het collectief vervoer voor mensen

met een inkomen boven een bepaalde grens als 'algemeen gebruikelijk” wordt beschouwd. Een

aantal gemeenten heeft dezelfde redenering toegepast op de HH. Deze redenering berust op een

misverstand met betrekking tot de toepassing van het begrip 'algemeen gebruikelijk”.

De criteria om een voorziening als algemeen gebruikelijk te benoemen zijn:

ï‚· De voorziening is niet speciaal voor mensen met een handicap bedoeld.

ï‚· De voorziening moet in normale winkels te koop zijn

ï‚· De voorziening moet een prijs hebben die niet zodanig hoog is waardoor de voorziening voor

grote groepen mensen onbereikbaar zou worden.

Om die reden kan een scootmobiel niet algemeen gebruikelijk zijn want die is alleen bedoeld voor

mensen met een beperking.

onderwerp Inkomensgrenzen in de Wmo datum 31 januari 2012 04/08

Voor het collectief vervoer geldt in feite hetzelfde. Onder de AAW, de voorloper van de Wvg,

bestond alleen een inkomensgrens voor de auto. Boven die grens werd een auto als algemeen

gebruikelijk beschouwd. De gemeenten hebben onder de Wvg de inkomensgrens voor de auto

uitgebreid naar het collectief vervoer. Maar uit de hierboven geciteerde uitspraak van de Centrale

raad van december 2010 blijkt al dat de Centrale Raad het collectief vervoer niet gelijk stelt met de

auto.

Van het collectief vervoer kan niet worden gesteld dat het bij een bepaald inkomen algemeen

gebruikelijk is. Het is speciaal bedoeld voor mensen met een beperking en als mensen zonder

beperking er ook mee mogen reizen dan betalen die laatsten een kostendekkend tarief.

Mensen met een beperking hebben geen alternatief voor het collectief vervoer als zij geen auto

(kunnen) rijden.

De HH lijkt op het eerste gezicht wel te voldoen aan deze criteria. Maar de volgende vraag is dan:

bij welke inkomensgrens is HH algemeen gebruikelijk? SGBO heeft hiernaar eind 2006 in opdracht

van de VNG onderzoek gedaan. SGBO heeft toen allerlei regelingen, wetten, CAO's en

jurisprudentie bekeken en heeft geconcludeerd dat inkomensgrenzen met verschillende doelen en

op verschillende niveaus worden gehanteerd. Er vallen uit de bestaande praktijk geen objectieve

gronden af te leiden waarop de hoogte van een inkomensgrens kan worden gebaseerd. SGBO

concludeert in haar onderzoek dat als gemeenten inkomensgrenzen willen hanteren, zij het beste

kunnen aansluiten bij de Wmo eigen bijdrage-regeling zelf.

In ieder geval is de Wmo niet te vergelijken met Bijstand. De inkomensgrenzen van de

(bijzondere) bijstand gelden niet voor de Wmo. Het is niet de bedoeling van de Wmo dat mensen

met een beperking met hun inkomen op het niveau van de bijstand uitkomen als ze de voorziening

zelf moeten betalen.

Zonder inkomensgrens groei van het aantal gebruikers van het collectief vervoer?

Gemeenten vrezen dat het aantal gebruikers van het collectief vervoer fors zal stijgen als zij geen

inkomensgrens meer mogen hanteren. Daardoor zullen de kosten van het collectief vervoer stijgen

en zal dit vervoer uiteindelijk ook voor de Wmo doelgroep met een lager inkomen duurder worden.

Op dit moment is niet goed te overzien of deze vrees terecht is. In dit verband wijst de VNG op

landelijk onderzoek waaruit blijkt dat 40% van de huidige pashouders niet of nauwelijks gebruik

maak van het collectief vervoer. Ook blijkt dat 40% van de pashouders daarnaast ook gebruik

maakt van het gewone openbaar vervoer. Het kan dus raadzaam zijn voor gemeenten om nog

eens goed te kijken naar de indicatiestelling.

En dan is er nog de vraag gesteld of de gemeente voor het collectief vervoer met gedifferentieerde

tarieven zou kunnen werken om het systeem meer kostendekkend te maken.. Mensen met een

beperking met een hoger inkomen zouden dan een hoger tarief kunnen betalen.

Deze vraag kan niet zonder meer bevestigend beantwoord worden.

onderwerp Inkomensgrenzen in de Wmo datum 31 januari 2012 05/08

In plattelandsgebieden waar nauwelijks meer gewoon openbaar vervoer bestaat, zijn nietautobezitters

met en zonder beperking afhankelijk van het collectief vervoer. Beiden hebben geen

alternatief. Toch betalen de mensen met een beperking het OV tarief en mensen zonder beperking

het hogere tarief. In dit geval lijkt het rechtvaardiger om bij de toepassing van het hogere tarief

rekening te houden met het inkomen van een persoon.

In stedelijke gebieden daarentegen hebben mensen zonder beperking het gewone openbaar

vervoer als alternatief voor de auto, mensen met een beperking hebben dat niet. Is het dan redelijk

om mensen met een beperking en een hoger inkomen een hoger tarief dan het OV-tarief te laten

betalen?

De VNG zal de ontwikkelingen op dit terrein blijven volgen en signalen van grotere stijgingen van

aantallen gebruikers van het collectief vervoer onder de aandacht brengen van het rijk.

Geen algemene inkomensgrens voor Wmo voorzieningen, maar wat dan?

De Centrale Raad heeft het laatste woord over het vraagstuk van de financiële zelfredzaamheid

nog niet gesproken. Zo loopt er bij een rechtbank nog een zaak over een persoon met een

beperking die een aangepaste woning in haar woonplaats verliet om samen te gaan wonen met

een nieuwe partner in een andere gemeente. Het echtpaar kocht een woning ter waarde van 1

miljoen euro en vroeg de gemeente te kosten van de voor haar handicap noodzakelijke

aanpassingen te vergoeden. De gemeente was van oordeel dat iemand die een dergelijk bedrag

voor een huis kan uitgeven ook in staat is de aanpassingen daaraan zelf te financieren. Als ook

deze zaak voor de Centrale Raad komt zal de uitspraak bijdragen tot meer inzicht in de grenzen

van de Wmo.

Tot die tijd kan de VNG een tweetal varianten laten zien waaruit gemeenten een keuze kunnen

maken. Gemeenten die juridisch geen enkel risico willen lopen adviseren wij te kiezen voor variant

1. De variant 2 is naar de stand van de huidige jurisprudentie veilig, maar de VNG kan niet

garanderen dat zaken anders komen te liggen als de Centrale Raad nieuwe uitspraken doet. Voor

deze variant zullen wij in overleg treden met het Rijk om de Wmo en het Besluit MO op dit punt te

verduidelijken.

1. De juridisch absoluut veilige variant

Aan alle aanvragers die vanwege hun beperking in aanmerking komen voor een Wmovoorziening,

wordt de voorziening verstrekt onder betaling van een eigen bijdrage volgens de

regeling in het Besluit Wmo dan wel betaling van het OV-tarief voor het collectief vervoer. Let er

daarbij op dat de eigen bijdrage over de volledige kostprijs van de voorziening wordt berekend.

onderwerp Inkomensgrenzen in de Wmo datum 31 januari 2012 06/08

2.. De juridisch tamelijk veilige variant van de 'omgekeerde” toepassing van de eigen bijdrageregeling

Deze variant komt er op neer dat personen die op grond van hun inkomen de volledige kostprijs

van de voorziening zelf kunnen betalen (en regelen) een voorziening uit de Wmo geweigerd kan

worden. Uit de wetgeschiedenis van de Wmo kan worden afgeleid dat voor de bepaling van de

draagkracht van de aanvrager kan worden aangeknoopt bij die van de eigen bijdrageregeling in

het Besluit maatschappelijke ondersteuning. De eigen bijdrage regeling (zoals opgenomen in H4

van het Besluit) houdt in, dat tot 120% van het sociaal minimum voor een alleenstaande 65+

respectievelijk tot 105% van het sociaal minimum voor een alleenstaande 65- een vastgelegd

maximumbedrag (jaarlijks geïndexeerd) geldt. Boven deze inkomensgrens geldt een maximum

eigen bijdrage van 15% over het meerdere inkomen.

Daarmee zijn de inkomensgrenzen, die in de Wmo gehanteerd mogen worden, al vastgelegd als

landelijke norm, die geldt voor het bepalen van de draagkracht bij de individuele toetsing conform

het compensatiebeginsel (art. 4 Wmo). De normering beoogt zowel maxima te stellen, als deze te

uniformeren en invulling te geven aan draagkrachtprincipes, mede voor de toepassing van het

compensatiebeginsel in de Wmo. In de bijlage bij deze ledenbrief wordt een voorbeeldberekening

gegeven.

De variant laat onverlet dat de gemeente altijd de individuele toets op zowel ‘zelf in staat zijn te

organiseren' als ‘zelf kan betalen' dient toe te passen. Houd daarbij ook rekening met cumulatie

van kosten van Wmo en AWBZ-voorzieningen, want het CAK, die de cumulatie van eigen

bijdragen bewaakt, komt in deze variant niet voor. De gemeente zal bij toepassing van deze

variant aparte afspraken met het CAK moeten maken.

Samengevat komt deze variant er op neer dat de gemeente de eigen bijdrage-regeling uit het

Besluit niet toepast op het moment dat een persoon de voorziening heeft gekregen, maar deze

betrekt bij de beoordeling van de aanvraag.

Biedt de Wmo nog andere mogelijkheden voor eigen gemeentelijk beleid?

Met de uitspraken van de hoogste rechter lijkt het erop dat artikel 4 lid 2 gemeenten geen ruimte

meer biedt om te beoordelen of een aanvrager van een Wmo voorziening deze zelf kan regelen en

betalen. De Centrale Raad verbindt dit artikel met de eigen bijdrage-regeling van artikel 15.

Maar de rechter heeft nog niets gezegd over artikel 4 lid 1. De kern van dit artikel is : 'ter

compensatie van beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en

maatschappelijke participatie, treft het college van B en W voorzieningen op het gebied van

maatschappelijke ondersteuning die hen in staat stellen enz.'

Met andere woorden het gaat erom of een persoon beperkingen ondervindt in zijn

zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. En de volgende vraag is dan, of hij in staat is de

beperkingen te compenseren door een oplossing te organiseren en te betalen. Als die persoon dat

kan hoeft er niet gecompenseerd te worden. Maar de vraag is hoe beoordeelt een gemeente of

iemand zelf in staat is de oplossing te organiseren en te betalen.

onderwerp Inkomensgrenzen in de Wmo datum 31 januari 2012 07/08

De VNG stelt zich, na advisering door juristen, op het standpunt dat wij de gemeenten op dit

moment niet willen adviseren om te experimenteren met de ruimte die artikel 4 lid 1 mogelijk nog

biedt. Dat betekent niet dat u als gemeente het niet mag proberen, maar de wetgever zal geen

tegemoetkoming bieden en u neemt bewust het risico dat het beleid moet worden bijgesteld als

een rechterlijke uitspraak dat gebiedt.

Overleg VNG en Rijk over de Wmo en het Besluit Maatschappelijke Ondersteuning

De VNG is met het rijk in overleg om de Wmo en het Besluit MO met betrekking tot de eigen

bijdrage regeling te verduidelijken en aan te vullen. Het gaat om de volgende zaken:

De volledige kostprijs als grens voor de eigen bijdrage

In het Besluit Wmo is nog aanvullend de bepaling opgenomen, dat in het geval van het

verschaffen in eigendom van een voorziening, gedurende maximaal 3 jaar (39 perioden van 4

weken) een eigen bijdrage dan wel eigen aandeel in de financiële vergoeding in rekening gebracht

mag worden. Deze bepaling kan ertoe leiden dat burgers niet de volledige kostprijs voor een

voorziening betalen (b.v. bij een grote verbouwing).

De toelichting op het Besluit bepaalt anderzijds dat de grens voor het betalen van een eigen

bijdrage ligt bij het betalen van de volledige kostprijs. Over de eigen bijdrage voor een voorziening

in bruikleen zegt het Besluit niets.

Uitgangspunt zou moeten zijn dat de grens voor de eigen bijdrage ligt bij het betalen van de

volledige kostprijs of het nu gaat om een voorziening in eigendom dan wel in bruikleen.

De 'omgekeerde toepassing” van de eigen bijdrage-regeling in het Besluit MO opnemen

Deze variant lijkt niet in strijd met de bestaande jurisprudentie, maar de tekst van het Besluit MO is

er niet duidelijk over. Een verduidelijking van het Besluit MO op dit punt is noodzakelijk om

gemeenten volledige zekerheid te bieden dat dit is toegestaan.

De vermogenstoets

Bij de behandeling van de Wmo in de Eerste Kamer is destijds gesproken over het hanteren van

een vermogenstoets. Daarop is geantwoord, dat dit niet wenselijk wordt geacht, aangezien het

inkomen voldoende maatstaf voor draagkracht wordt geacht.

In de Bestuursafspraken 2011-2015 (p. 52) is nog het volgende opgenomen:

'Rijk en VNG spreken af zo spoedig mogelijk te onderzoeken of in de Wmo een vermogenstoets

kan worden ingevoerd en of de wettelijke bepaling die rolstoelen uitsluit van een eigen bijdrage

kan worden geschrapt”.

Inmiddels ligt er nu een wetsvoorstel bij de Raad van State, waarin het huidige inkomensbegrip

voor eigen bijdragen in de AWBZ en Wmo wordt uitgebreid met een vermogensbestanddeel.

Deze vermogensinkomensbijtelling houdt in, dat het inkomen dat relevant is voor het vaststellen

van de hoogte van de eigen bijdrage wordt opgehoogd met een percentage (4%) van het

belastbaar vermogen (boven vrijstellingsgrens box 3). Het eigen huis blijft buiten beschouwing.

onderwerp Inkomensgrenzen in de Wmo datum 31 januari 2012 08/08

De Kanteling en het onderscheid tussen algemeen/collectief en individueel

In het licht van de Kanteling zullen gemeenten steeds meer algemene en collectieve Wmo

voorzieningen in het leven roepen die voorliggend zijn aan individuele voorzieningen. Artikel 15 lid

1 van de Wmo verbindt de eigen bijdrage aan een individuele voorziening. Daarentegen spreekt

artikel 4 lid 1 van 'voorzieningen” die het college moet treffen om burgers met een beperking te

compenseren. In de Wmo en in de wetgeschiedenis van de Wmo is niet terug te vinden hoe

gemeenten de eigen bijdrage moeten toepassen bij algemene en collectieve voorzieningen. Van

de omslag van individueel naar algemeen/collectief wordt meestal gesteld dat deze

kostenbesparend is. Maar als er bij een algemene/collectieve voorziening geen eigen bijdrage in

de kosten zou mogen worden opgelegd, dan wordt de besparing hoogstwaarschijnlijk weer teniet

gedaan. De VNG vindt dat de mogelijkheid van een eigen bijdrage of bijdrage in de kostprijs van

algemene en collectieve voorzieningen onderzocht en uitgewerkt moet worden. Daarbij moet er

ook aandacht zijn voor de cumulatie van eigen bijdragen of bijdragen in de kostprijs als deze niet

via het CAK lopen. Waarschijnlijk zal de Wmo daarvoor moeten worden aangepast.

Decentralisatie begeleiding en de eigen bijdrage-regeling

Bij de overheveling van de extramurale begeleiding uit de AWBZ naar de Wmo zal de huidige

eigen bijdrage regeling in beginsel ook van toepassing zijn op de begeleiding. Het Transitiebureau

begeleiding van VWS en VNG zal voor de eigen bijdrage-regeling voor de begeleiding een

handreiking voor gemeenten maken.

Hoogachtend,

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

mr. R.J.J.M. Pans

voorzitter directieraad

Deze ledenbrief staat ook op www.vng.nl onder brieven.

onderwerp Inkomensgrenzen in de Wmo datum 31 januari 2012 02/02

Bijlage I

Voorbeeldberekening van de omgekeerde toepassing van de eigen bijdrageregeling

Tabel: Berekening met gebruikmaking van de CAK-rekenmodule eigen bijdrage Wmo 2011:

(Verzamel) inkomen Max periodebijdrage

4 wk 13x / jaar

Max bijdrage na Wtcg

4 wk 13x /jaar

€ 15.000 € 25,40 330,20 € 17,02 221,26

€ 25.000 € 25,40 330,20 € 17,02 221,26

€ 27.500 * € 25,40 330,20 € 17,02 221,26

€ 28.000 € 34,20 444,60 € 22,90 297,70

€ 30.000 € 57,25 744,25 € 38,36 498,68

€ 35.000 € 114,95 1.494,35 € 77,00 1.001,00

€ 40.000 € 164,99 2.144,87 € 110,54 1.437,02

€ 60.000 € 395,76 5.144,88 € 265,16 3.447,08

€ 80.000 € 626,53 8.144,89 € 419,78 5.457,14

*Het omslagpunt van vast wettelijk minimum naar procentuele aanslag (max 15%) ligt net boven

een inkomen van € 27.500.

Uitgaande van deze bovengrens van 15% van het (verzamel)inkomen, kan de door de gemeente

te hanteren inkomensgrens als volgt berekend worden.

Voor de afweging of iemand voor hulp of een voorziening op grond van zijn draagkracht in

aanmerking komt of afgewezen kan worden, wordt berekend wat de kosten voor de ondersteuning

per 4-wekenperiode of op jaarbasis zijn.

Liggen die kosten boven de maximale periodebijdrage of jaarbijdrage, dan gaat dit boven de

draagkracht van betrokkene uit. Dan dient de gemeente aan betrokkene ondersteuning te leveren,

onder inhouding van de maximaal op te leggen eigen bijdrage of eigen aandeel.

Liggen de kosten onder deze maximale bijdrage, dan is betrokkene qua draagkracht in principe in

staat om daar zelf in te voorzien, en kan de gemeente na toetsing de aanvraag afwijzen.

Bij grensgevallen en bijzondere persoonlijke omstandigheden kan de gemeente ook besluiten wel

over te gaan tot toekenning. De inning van de toegestane eigen bijdrage/het eigen aandeel dekt

dan in principe toch de kosten van de geleverde ondersteuning van de gemeente tot de kostprijs is

opgebracht.


Share our website