| In te vullen door de Raadsgriffie: | |
| Lid van de raad: | M.A. (Martha) Horstman-Hoekstra |
| Datum van indienen: | Donderdag 16 juli 2026 |
| Uiterste datum beantwoording: | Maandag 17 augustus 2026 |
| In te vullen door de ambtelijke organisatie: | |
| Portefeuillehouder: | |
| Behandelend ambtenaar: | |
| Zaaknummer: | |
| Datum van portefeuillehouderoverleg: | |
| Datum van collegevergadering: | |
Titel van de vragen: Unilab
Inleiding van de vragen:
De schriftelijke vragen:
- Was het college vooraf op de hoogte van de tijdelijke sluiting van de bloedprikpost in Losser? Zo ja, wanneer en door wie is het college hierover geïnformeerd?
- Heeft het college naar aanleiding van de tijdelijke sluiting contact opgenomen met Unilabs of andere betrokken zorgorganisaties? Zo ja, wat is daarbij besproken en welke toezeggingen zijn gedaan?
- Deelt het college de opvatting dat een goed bereikbare bloedprikvoorziening een belangrijke basisvoorziening is, met name voor ouderen, minder mobiele inwoners en inwoners zonder eigen vervoer? Zo nee, waarom niet?
- Heeft het college signalen ontvangen van inwoners over de gevolgen van de tijdelijke sluiting? Zo ja, welke knelpunten zijn daarbij naar voren gekomen?
- Is het college bereid zich actief in te zetten om het behoud van een bloedprikvoorziening in Losser onder de aandacht te brengen van Unilabs en de betrokken zorgpartners?
- Is het college bekend met eventuele plannen of scenario's waarbij kleinere bloedpriklocaties in de regio zouden kunnen verdwijnen? Zo ja, wat betekent dit mogelijk voor Losser?
- Welke mogelijkheden ziet het college om, binnen de eigen rol en bevoegdheden, bij te dragen aan het behoud van een goed bereikbare bloedprikvoorziening in de gemeente?
- Is het college bereid de gemeenteraad te informeren wanneer zich ontwikkelingen voordoen die de beschikbaarheid van belangrijke eerstelijns zorgvoorzieningen in Losser kunnen beïnvloeden?
Bijlage: toelichting op het stellen van schriftelijke vragen (artikel 35, RvO)
Artikel 35. Schriftelijke vragenHet vragenrecht stelt de leden van de raad in staat informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. Deze dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het college of de burgemeester geeft daarom het schriftelijke antwoord. In de praktijk zal een schriftelijk antwoord van het college vaak door de desbetreffende portefeuillehouder gegeven worden (artikel 168 van de wet).De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat de verantwoordelijke portefeuillehouder of de burgemeester in de raadsvergadering e.e.a. komt toelichten en nadere vragen komt beantwoorden. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad anders kan beslissen. In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen. |