Publicaties

27.10.11: BIZ Bedrijven Investerings Zone


De raad van de gemeente Losser;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 oktober 2011,

gelet op artikel 1, eerste lid en artikel 7, vierde lid, van de Experimentenwet BI-zones en de artikelen 149 en 216, van de Gemeentewet

BESLUIT:

vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidie voor de BI-zone Centrum Losser.

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen 

Deze verordening verstaat onder:

a. BI-zone: het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de

BIZ-bijdrage wordt geheven. Het binnen de met blauwe belijning aangegeven gebied, vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart, is het aangewezen gebied;

b. de wet: de Experimentenwet BI-zones;

c. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Losser

d. Uitvoeringsovereenkomst: de tussen de gemeente Losser en Stichting Centrum Management Losser gesloten Uitvoeringsovereenkomst

e. subsidie: subsidie in de zin van artikel 4.21 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2 Aanwijzing stichting

De Stichting Centrum Management Losser (hierna: stichting) wordt aangewezen als de stichting als bedoeld in artikel 7 van de wet.


Hoofdstuk II Belastingbepalingen

Artikel 3 Aard van de belasting

Onder de naam ‘BIZ-bijdrage' wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone.

Artikel 4 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De BIZ-bijdrage wordt gedurende een periode van 5 jaren jaarlijks geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken, die niet in hoofdzaak tot woning dienen.

2. De BIZ-bijdrage wordt geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de BI-zone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken.

3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt:

a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.

4. Indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik is, wordt de BIZ-bijdrage geheven van degene die van die zaak het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 5 Belastingobject

1. Als een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, die niet in hoofdzaak tot woning dient.

2. Een onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 6 Maatstaf van heffing

1. De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 4, tweede lid, van deze verordening.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak, die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

3. Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende goederen wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 7 Waardevrijstellingen

In afwijking in zoverre van artikel 6 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit reeds niet is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:

a. ten behoeve van land- of bosbouw bedrijfsmatige geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsboden te gebruiken;

b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;

c. onroerende zaken, die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard;

d. één of meer onroerende goederen, die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed, dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;

e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;

f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;

g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken, die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publieksrechtelijke rechtspersonen;

h. werken, die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publieksrechtelijke rechtspersonen;

i. werktuigen, die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis van werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;

j. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen – niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;

k. Objecten in gebruik bij non-profit organisaties.

 

Artikel 8 Hoogte BIZ-bijdrage

1. De BIZ-bijdrage bedraagt bij een waarde van:

a. € 100.000 of minder € 600,-

b. meer dan € 100.000 doch minder dan € 300.000 € 840,-

c. meer dan of gelijk aan € 300.000 doch minder dan € 500.000 € 1080,-

d. meer dan of gelijk aan € 500.000 € 1320,-

2. In afwijking van het vorige lid bedraagt de BIZ-bijdrage € 0,- voor de volgende objecten:

a. telefooncentrales, zendmasten, musea, scholen, onroerende zaken bestemd voor het gebruik voor de publieke dienst van de gemeente, parken, waterpartijen, stations ten behoeve van bus- of treinverkeer, begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria;

b. objecten in gebruik ten behoeve van gas- water-, stroom- of energiedistributie, waaronder transformatiehuisjes en hoogspanningsmasten, met uitzondering van benzinestations;

c. ongebouwde eigendommen, die als zelfstandige onroerende zaak in de Wet waardering onroerende zaken zijn afgebakend en die worden gebezigd ten behoeve van de opslag of distributie van zaken of daartoe bestemd zijn, dan wel bestemd zijn voor de bouw van woningen.

Artikel 9 Wijze van heffing

De BIZ-bijdrage wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 10 Termijnen van betaling

1. De aanslagen worden betaald uiterlijk binnen twee maanden na de op het aanslagbiljet vermelde dagtekening.

2. Ingeval belastingplichtigen een machtiging tot automatische incasso hebben afgegeven kunnen de aanslagen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden betaald in tien gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

3. In afwijking van het tweede lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde BIZ-bijdrage of andere heffingen meer is dan € 4.000,- of minder dan €100,-, dat de aanslagen moeten worden betaald conform het bepaalde in lid 1 van dit artikel.

4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Nadere regels door het college

Het collega kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de

BIZ-bijdrage.

Hoofdstuk III Subsidiebepalingen

Artikel 12 Algemeen

Op de subsidie op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening van de gemeente Losser niet van toepassing.

Artikel 13 Grondslag subsidie

Het college is bevoegd subsidie te verstrekken voor activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst.

Artikel 14 Subsidieaanvraag en –vaststelling

1. Het college besluit naar aanleiding van een aanvraag om subsidie in het kader van deze verordening.

2. De subsidie voor enig jaar wordt vastgesteld op ten hoogste het bedrag van de voor dat jaar geïnde BIZ-bijdragen die in de in artikel 4, eerste lid, bedoelde periode wordt geheven, verminderd met de gemaakte perceptiekosten voor de heffing en invordering van de BIZ-bijdragen over de betreffende periode, zoals opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst.

Artikel 15 Wijze van betalen

1. De subsidie wordt, in elk jaar waarin de BIZ-bijdrage wordt geheven, jaarlijks door het college betaalbaar gesteld in maximaal drie termijnen, met inachtneming van het bepaalde in het volgende leden.

2. Het totaal van de drie jaarlijkse termijnen bedraagt ten hoogste het bedrag van de BIZ-bijdragen, die in het betreffende jaar worden geïnd, verminderd met de in het betreffende jaar gemaakte perceptiekosten voor de heffing en invordering van de Biz-bijdragen, zoals opgenomen in de Uitvoeringsovereenkomst.

3. Het totaal van de drie termijnen wordt als volgt beschikbaar gesteld:

a. Vóór 28 februari van het betreffende jaar 50% van de BIZ-bijdragen voor dat jaar;

b. Vóór 1 mei van het betreffende jaar 75% van de BIZ-bijdragen voor dat jaar, verminderd met het bedrag dat op de voet van sub 1 van dit lid betaalbaar is gesteld én verminderd met de voorlopig gecalculeerde in dat jaar gemaakte perceptiekosten;

c. Het restant zal, na definitieve calculatie met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid, vóór 31 december van het betreffende jaar betaalbaar worden gesteld.

Artikel 16 Melding van relevante wijzigingen

1. De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie.

2. De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van een wijziging van de statuten, dan wel van verandering of beëindiging van activiteiten.

Hoofdstuk IV Slotbepalingen

Artikel 17 Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking op een door het college te bepalen tijdstip, dat gelegen is op een datum nadat van voldoende steun, als bedoeld in artikel 4 van de wet, is gebleken.

2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.

3. Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening BI-zone Centrum Losser”.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad op 15 november 2011;

griffier, voorzitter,


Share our website